VII.
't Woord: ‘God is goed!’ wordt in de bloem gevonden.
En ook die dat nog in haar kelk niet vinden,
Gevoelen toch, hoe ze oog en hart kan binden:
Door 't kind reeds wordt een bloemenkrans gewonden.
Waar kind'ren ooit op bloemenbodem stonden, -
Zelv' bloemen, zij, die rein- en blijgezinden! -
Ze gingen plukken, knoopen, vlechten, winden,
En schreiden, als hun veldkrans werd geschonden.
Een kind in 't veld, - in 't veld, doorzaaid met bloemen,
Twee lente's zijn 't, die met elkander stoeien,
Twee levensvormen, die veel schoons verkonden;
En heerlijk-lief is de aanblik steeds te noemen,
Wanneer in 't land, zoo lachend door zijn bloeien,
Een bloemkrans wordt door 't kind om 't hoofd gebonden.