Na de wijse Nero Moordadich
NA sweerelts bousel
Ontrent vier duysent Jaren
In het aenschousel
Twee Keyseren doen warenLuc. 2, 1.
Eenen was ouer cleyn
Onnoosel scharen
d'ander groot Capiteyn
Van veel dienaren
De aldervroomste
In alle sijn affeeren
Sijn edel comste
Scheen een yder te keeren
Maer een sondaer ontfijnck
Slauen en heeren
Als die der aerden rijnck
Moeste regeeren
Niet was sijn rijckeJoan. 18. 36
Ghecomen van beneden
En van ghelycke
En moghen oock syn leden
Daerom des Keysers vrient
Anders van zeden
Heeft voor hem niet ghedient
Noch oock ghestreden
Schatten van Goude
Op pijne van te dooden
Elck brijngen soude
Tsy heydenen oft Jooden
Maer shemels vorst heeft dat
Alle ghevloeden
En van een ander schat
Heeft hy ghebooden
Die met hem willen
De eenicheyt aencleuen
Moeten hier stillen
Hen aertsghierighe leuen
Niet nemen, doch haer broot
Act. 20. 35Veel liever gheuen
Haer naeste die van noot
Werden ghedreuen
Die de baniere
Van ons heere wil bringen
Mach gheen plaisiere
Hebben in ydel dyngen
Maer tot een eeuwich pant
Den sin bedwyngen
1. Pet. 2. 10.Passeeren door dit landt
Als vremdelyngen
Tot een besluyten
D'een Coninck is al henen
In aerde muyten
Syn heerlicheyt verdwenen
D'ander blyft sonder endt
En tis den genen
Die bouen tfirmament
Hoogh is verschenen
Weest op u hoede.