XXXIIIste lied. Het vrede-lied.
De Vrede-zon schiet vreugde stralen, De blijdschap lacht haar vrolijk aan; 't Beklemd gemoed mag adem halen, De treurtijd is voorbij gegaan. Zoo lacht natuur de lente toe, Daar zij, van d'overheersching moê, Der guur' en barre wintervlagen, Ontluikt met bloempjes, rijk van kleur, Bedauwd met d'eêlsten balsemgeur, Om elk verkwikking toe te dragen.
Verschrikt, verlegen en verslagen, Verscholen met ons vrolijk lied, Als 't pluimgediert voor d'onweêrsvlagen, Zweeg elk, gedrukt door bang verdriet. Maar nu voor 't lieflijk vrede-licht, De donderwolk des oorlogs zwicht, Zien w'ons bevrijd van 't angstig prangen, Nu mogen wij, in 't godd'lijk schoon Der lente vreugd, op hoogen toon, Verheffen onze feestgezangen.
O dierb're Vreê! Euroop' ontvlogen, Naar 't oord der rust, voor 't krijgsgeweld; Wij zochten U, met schreijend' oogen, Maar werden vaak te leur gesteld! Gij woont niet waar de heldraak woedt, Noch vest uw' troon op menschen bloed;
Neen: gij treedt steeds op rozen-paden, Waar 't bloempje tiert, langs 't vruchtbaar veld, Waar liefd' en trouw elkaâr verzeldt, Met armen vol geluk beladen.
't Is Vrede! zwijg Metalen-monden! Uw schor geloei heeft uitgebruld; 't Is lang genoeg den mensch verslonden, En d'aard' alom met schrik vervuld! Zwijgt Bus, Pistool, Karbijn, Musket, 't Is lang genoeg ons heil verplet; Verbreekt uw Harnas, fiere Helden! 't Is lang genoeg het bloed verspild, Verwisselt Zwaard, Helmet en Schild, Met Lauw ren, die uw' roem vermelden!
't Is Vrede! rust nu, Oorlogs-kielen! Men strijkt de wreede Bloedvlag neêr;
Laat u onttaak'len; 't snood vernielen Der Zee-kasteelen, duurt niet meer. Begroet, met eerbied en ontzag, d'Alom geliefde Vrede vlag; Laat nu Matroos en Schepelingen, Ter koopvaardij, van oord tot oord, In oost en west, en zuid en noord, Het lied van vreê en vrijheid zingen.
't Is Vrede! juicht nu Veldelingen! Voor roof noch plunderzucht vervaard; Smeed sikk'len van de Sabel-klingen, Legt 't ploeggareel op 't Oorlogs-paard; Drijf 't kouter door den vasten grond, Waarop het heer des oorlogs stond; Die grond, bemest met bloed en lijken, Zal nu weêr, door uw nijv're hand,
De wellust zijn van 't Vaderland, En met de schoonste vruchten prijken.
't Is Vrede! ja, o God der liefde! Die vrede mint, en vrede schenkt; Die, hoe ook onze schuld U griefde, In jezus, aan ontferming denkt. Wij knielen, Heer! gebukt in 't stof, En danken U, met eer en lof, Voor 't heil des vredes ons gegeven; Gij zaagt de moeit' en 't bang verdriet, En d'enk'le wenk van uw gebied, Verdreef den dood, en schonk ons 't leven.
O lieve Heiland! Vrede-stichter! Die hier, op dit benedenrond, Ons leerdet: hoe G'als Ziels-verlichter, Het ware heil in vrede vondt.
De vrede was uw welvaarts-groet; De vrede ligt ook in uw bloed, Voor zondaars, die U niet bestrijden, Door ongeloof en zonden lust, Maar, die den zaalgen vreê en rust, Steeds zoeken, in uw smart en lijden.
Och! mogt zoo elk den Vrede kiezen! Dan trof ons oorlogssmart noch pijn; En d'ondeugd zou haar kracht verliezen, Heel d'aard' een bron van vreugde zijn. Eens komt die dag; maar, ach! wanneer? Daal met uw' Geest, o jezus! neêr, Uw' heilzon gloort met eeuw'ge stralen, Uw' heerschappij verduurt den tijd, En eens, het ongeloof ten spijt, Zal 't rijk des Vredes zegepralen!
Cookies on Poetry Cove