Skip to content
1818

Nieuwe stichtelijke liederen (2 delen)

Dirk Reijden

XXXIXste lied. Sterfelijkheid.

Ons leven is een damp, Drijft, als een schaduw, henen; De vlam der levens-lamp, Is ijlings uitgeschenen. Al lacht ons voorspoed aan, Bij dagen en bij nachten, Dit al geeft ons bestaan, Noch duurzaamheid noch krachten.

Wij zijn slechts kort van duur, In onzen kring op aarde; De dood wenkt ieder uur, Ontziet noch rang, noch waarde; Hij snijdt, als gras, ons af, Hoe kort of lang wij leven, Om ons, aan 't stille graf, Tot stof, ter prooi te geven.

O Sterf'lijkheid! wat reên Zijn wij op aard' geschapen? Gij, doof voor 't droef geween, Doet elk den doodslaap slapen; Is 't dan genoeg, dat gij Ons voert naar uwe woning, Daar, door uw' heerschappij, Verzamelt Slaaf en Koning?

O! wat is dan ons lot, Wat zegt het, mensch te wezen, Voor luttel zingenot, U, Sterf'lijkheid! te vreezen? Dan, neen: uw heilvol doel, Leert ons de dagen tellen, Die wij, in 't aardsch gewoel, Als schimmen voort zien snellen.

O God! hoe broos en teêr, Zijn onze levenskrachten; Och! dat dit ieder leer', Zijn' leeftijd, dierbaar t'achten! Gij hebt den levenskring, Reeds in uw boek geteekend, Dien, voor elk sterveling, Van uur tot uur berekend.

Och! leer ons hier den tijd Des levens, zoo besteden, Dat onze laatste strijd, Niet vrucht'loos wordt gestreden; Dan doet de sterf'lijkheid, Noch dood, noch graf, ons beven, Maar, in u voorbereid, Met vreugd den doodsnik geven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.