XVIde lied.
Gods heiligheid.
Vlekk'loos heilig Opperwezen!
Serafs buigen voor U neêr;
Eeuwig wordt uw naam geprezen:
Heilig, heilig is de Heer!
Mogten wij, die 't stof bewonen,
Heilig leven tot uw' eer!
Niets is vlekk'loos in uw' oogen;
Gij zijt reiner dan het licht;
Eng'len, voor uw' troon gebogen,
Dekken voor U 't aangezigt;
Geen' der reinste stervelingen,
Kan bestaan voor uw gerigt.
Liefd'rijk Vader! al de smarten
Onzer schuld gevoelen wij;
Schep in ons toch reine harten;
Doe ons heilig zijn als Gij,
Opdat wij het doel beseffen,
Van uw' reine heerschappij.
Zondaars kunnen U niet nad'ren,
Voor uw' reinheid niet bestaan;
Och! beweeg Gij zelf de raad'ren,
Die ons 't pad des heils doen gaan;
Want, o Vader! onze harten
Klagen ons gestadig aan!
't Reinste dat wij ooit betrachten,
Vloeit uit een onrein gemoed;
Heer! wat zoudt Gij van ons wachten?
Wasch ons rein in jezus bloed;
Opdat wij U zien, en leven
Door dien heil'gen liefdegloed.