Skip to content
1818

Nieuwe stichtelijke liederen (2 delen)

Dirk Reijden

IIIde lied. Tweede bede.

O Vader! die, in 't ongenaakbaar licht, Met majesteit, uw' rijkstroon hebt gesticht, Het Englenkoor zingt eeuwig uwen lof, Vol liefd' en dank, in 't zalig hemelhof!

Wij, op deez' aard', wij nadren uwen troon, En slaan het oog op Jezus uwen Zoon, Die 't biddend hart, tot bidden heeft bereid, Om eeuwig heil en aardsche zaligheid.

Die Zoon lag ons deez' bidschets in den mond: ‘Uw koningrijk koom' over 't wereldrond;’ Het koom' en heersch' alom van zee tot zee, Dit, Vader! ja, dit zij ons aller beê.

Uw' heerschappij verbreek' eens 't helsch geweld, Waar 't zich verheft, of tegen U zich stelt, Opdat uw Rijk zoo luistervol in magt, Tot 's werelds eind', al d'eer wordt toegebragt.

Dan wordt de vreê van waarheid blij gekust, Het vuur van twist voor eeuwig uitgebluscht; Tot Gij 't heelal, door 't licht uws heils vervuld, Voor d'eeuwigheid, in U volmaken zult.

O Vader! ja, zoo koom' uw rijksgebied, Hoor onze beê, in 't opgezongen lied, Om Jezus wil; en maak ons hart bereid, Voor uwe komst tot onze zaligheid.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.