XXVste lied.
De verheerlijkte heiland.
Naar Matth. xvii vs. 1-5.
'k Zie hier op Libanon,
De heil- en glorie - zon,
Uit 's hemels kim gerezen;
Hier straalt de schechina
Op Hem, die Golgotha
Wel dra ter prooi zal wezen.
Hier praalt Gods groote Zoon,
Verheerlijkt in zijn schoon,
Naar 't Godd'lijk welbehagen,
Wiens glansrijk aangezigt
De duist're ziel verlicht:
De nevels weg kan vagen!
Hier trekt Gods Vaderstem,
Mijn hart en oog op Hem,
Die voor mijn' schuld zou lijden;
Die meer dan elias
Of mozes, voor mij was,
Om tot mijn heil te strijden.
O Heiland, is 't zoo goed,
Voor 't afgepijnd gemoed,
U, in uw schoon, t'ontwaren?
Daal dan, met licht en kracht,
In 't hart dat U verwacht,
En op uw heil blijft staren.
Toon ons uw' heerlijkheid,
Uw licht, uw' majesteit,
Daar w'aan uw' voetbank knielen;
't Geloof voert ons omhoog;
Och sla uw lievend oog,
Op millioenen zielen.