XIde lied. Jezus onschuld.
O! Blijf ik op mijn' Heiland staren, Bepeins ik alles, wat Hij leed; Hoor ik zijn' Regters zelv' verklaren, Dat Hij aan niemand iets misdeed: Mijn God! hoe scheem'ren hier mijn' oogen; Bewond'ring houdt mij opgetogen; Wie ziet die heilgeheimen door! Hij, lijdend met een vrij geweten; Wie kan die zee der liefde meten, Bij 't volgen van dit lijdensspoor!
Ja Hij, de reinste menschenliefde, Moest, vlekk'loos heilig, schuldig staan;
En al wat zijne ziel doorgriefde, Nam Hij als schuldvoldoening aan: Hoe lasterzucht Hem mogt bestrijden, Vermomde huich'laars Hem benijdden, En doemden tot den slavendood, Hij bleef dit al gelaten dragen; Zelfs toen Hij was aan 't kruis geslagen, Blonk nog zijn' onschuld godd'lijk groot.
Wie is, als jezus, zoo verslonden, Zoo weerloos als een Lam geknot, En echter schuldeloos bevonden, Ook in het heilig oog van God? Natuur bezweek, en d'aarde beefde, Toen Hij, de vlekk'looz' onschuld, sneefde, Aan 't moordend kruis op Golgotha! Kon dit regtvaardigheid gehengen,
Het bloed der onschuld zoo zien plengen; Bleef voor die beulen nog genaê?
Ja, jezus onschuld was voldoening, Hoe 't leed Hem trof en smart'lijk viel; Zijn' schuldelooze schuldverzoening, Is 't eenigst rustpunt voor mijn' ziel. O! had men schuldig Hem bevonden, Ik had geen vrijspraak voor mijn' zonden, Mijn schuld zou dan nog open staan; Dan, neen: Hij leed, maar vlekk'loos heilig, Ik juich dus, door 't geloof, nu veilig: ‘Zijn onschuld heeft mijn schuld voldaan!’
Hier ruischt een' zee van mededoogen, Uit bronnen van genaê gevloeid; Hier zie 'k Gods liefde-vuur verhoogen, Dat voor het heil van zondaars gloeit.
Gods regt moest eeuwig zegepralen, En d'onschuld voor de schuld betalen, O wonderspreuk! Gods liefde waard! Ja zulk een offer moest het wezen, Dat onze zielen kon genezen Van smarten, die de zonde baart.
O Heiland! leer ons onze zonden Betreuren, met een diep ontzag; Zij hebben U aan 't kruis gebonden, Doe z'ons bestrijden, dag aan dag. Och! mogten w'U, met blijde klanken, Als onzen Redder, immer danken, Die, schuld'loos, onze schuld voldeedt; En steeds, in onzen wandel, toonen, Dat wij uw' liefd' en trouw beloonen, Door vrucht te plukken uit uw leed.
Cookies on Poetry Cove