Vde lied. Vierde bede.
Vader, vol van mededoogen! Die uw' scheps'len mild'lijk voedt, Sla op ons uw' Vader-oogen, Zijt, om jezus wil, ons goed! Wij toch kunnen ons niets geven, Niet behouden bij het leven, Buiten 't alles voedend brood; Sluit G'uw' bronnen, Goedheids-äder, O, dan missen w'U, als Vader, En wij storten in den dood.
't Wel besteden onzer krachten, Moeitevolle zorg en vlijt, Bij het ijv'rig pligt betrachten, Voegt ons, Vader! t'allen tijd: Och! dit al kan ons niet baten, Zonder U zijn wij verlaten, Even als een weêrloos kind, Dat, te midden der gevaren, Schreijend' blijft op redding staren, En noch hulp, noch bijstand vindt.
Hoe veel goeds wij ons beloven, Van de werken der natuur, Gij kunt ons dit al ontrooven, Door uw' vrijmagt en bestuur; Volle schoven, korenären, Mogen wij te zaam vergaren,
Oogsten al wat d'aarde geeft; 't Baat niet, hoeveel wij verkregen, Daar toch, zonder uwen zegen, Nimmer eenig schepsel leeft.
Hemel, aarde, zee en bronnen, Die Gij schiept voor ons bestaan, Pralen, in onz' oog' als zonnen, Kondigen uw' goedheid aan. O! wat zouden wij vermogen, Zoo uw' Vaderlijk meêdoogen Ons slechts eenen dag verliet, Voeding, kleeding, levenskrachten, Alles, wat wij kunnen wachten, Staat toch onder uw gebied.
Vader! wil ons niet bedroeven. Geef ons elken dag het brood,
En al 't geen wat wij behoeven, Opdat wij, door hongersnood Niet bezwijken in dit leven, Maar wil bovenal ook geven, 't Zielenheil, door U bereid, Dat G'ons in uw' Zoon wilt schenken; Blijf zoo immer aan ons denken, Voor den tijd en d'eeuwigheid!
Cookies on Poetry Cove