XXIste lied. De opwekking van lazarus. Naar Joh. XI. vs. 21-44.
Maria! Martha! treurt niet meer, Al zaagt g'uw' Broeder sneven; Gelooft in jezus, uwen Heer, Uw Lazarus zal leven! Al ligt hij riekend' in het Graf, Straks zal uw Heiland komen, Die 't leven is, en 't leven gaf; Gij hebt geen leed te schromen.
Zijn oog, dat over alles ziet, Zag ook uw' Broeder sterven, 't Is al tot eer van God geschied, Gij zult zijn' hulp niet derven; Hij komt, wat in Jeruzalem, Hem ook tot smart moog strekken, Hij zal, door zijne vrijmagts stem, Uw'dooden Broeder wekken.
Daar is Hij, die geen' vriend verlaat; Nu naar Hem heen gevloden! Gelooft alleen, verzelt en gaat, Met Hem, naar 't graf des dooden. Ziet daar uw' Vriend, uw' Meester staan, Met rein gevoelig weenen; Zijn' liefde stort reeds traan op traan, Hij zal u hulp verleenen.
De Heiland spreekt, roemt Gods besluit, Bij 't liefderijkst vermogen; Zijn wekstem: ‘Lazarus kom uit!’ Ontsluit den dooden d'oogen! Hij ziet zijn' Vriend, zijn' Redder aan, In 't kleed des doods omwonden; Op 't woord van Jezus: ‘Laat hem gaan,’ Wordt hij weldra ontbonden.
Hij rijst, zoo rijst geen bloem uit 't stof, Bedauwd na zonnestralen; Nu zal hij ook, met blijden lof, Zijn' Redder dank betalen. Nu galmt de vreugd, langs berg en dal, Door allen die gelooven, Hoe 't ongeloof, verhard, dit al, Als wonder, wil verdooven.
O, Heiland! eens ook zullen wij, In 't Graf, uw wekstem hooren; Om 't even waar ons stof ook zij, Niets gaat voor U verloren; De dood, wat hij ook hier verslond. Moet U zijn' prooijen geven; Het woord: ‘sta op!’ uit uwen mond, Brengt allen weêr in 't leven.
O! dat ons dan geen angst of schrik, Door schuldgevoel mogt treffen! Om in 't beslissend' oogenblik, Het hoofd omhoog te heffen; Maar dat wij, door 't geloof, o Heer! In U, met vreugd verrijzen, Om U te zien, bekleed met eer, En eeuwig U te prijzen!
Cookies on Poetry Cove