XXXVste lied. Het evangelie.
O dierbaar Evangelie licht! Hoe glansrijk spreidt g'uw' stralen! Wat heil de zon voor 't aardrijk sticht, Zij kan bij u niet halen. Het zielenheil, dat gij verspreidt; Gaat elks begrip te boven; Is kweeking tot de zaligheid, Voor allen, die gelooven!
Uw' stem dringt in 't bezwaard gemoed, Als balsem in de wonden, Ten troost in bangen tegenspoed, En boeting' onzer zonden; Gij toch biedt ons een' Heiland aan, Vol vlekkelooze liefde, Die d'eisch des Regters heeft voldaan, Hoe onze schuld Hem griefde.
Geen schaduwdienst, geen' slaafsche wet, Die 't schuldvol hart doen beven, Hebt g'ons ten rigtsnoer ingezet, Voor 't eeuwig zalig leven; Neen: rein geloof in jezus leer, En liefde, tot betrachten Van schuld bestrijdend' tegenweer, Blijft gij van ons verwachten.
O dierbaar Evangelie-woord! Hoe zalig zijn uw' klanken, Voor elken zondaar, die u hoort, Om eeuwig God te danken. Och! drong uw' stem alom, met kracht, In aller volk'ren ooren! Uw licht zou dra, met hemelpracht, In vollen luister gloren!
Gij zijt de stem van jezus mond, Die zondaars lokt ten leven, Om, uit zijn heil en vreêverbond; Hun zaligheid te geven. ‘Die wil, die koom!’ (deez'-liefde-taal, Doet gij zelfs snoodaards hooren,) ‘In Jezus dood en zegepraal, Gaat niemand ooit verloren!’
Hoe moest niet deez' genade-stem, Elk sporen tot bekeeren, Om jezus, door 't geloof in Hem, Vol liefde dankend' t'eeren! O Geest van God! och! geef dat wij, Die heilstem nooit verdooven, Maar, door uw kracht en heerschappij, Steeds hooren en gelooven!
Cookies on Poetry Cove