Skip to content
1818

Nieuwe stichtelijke liederen (2 delen)

Dirk Reijden

XVde lied. Het geloof in god.

O mensch! wat baat het u te leven, Wat vraagt gij naar een volgend lot, Wat vrucht kan u de toekomst geven, Bij 't derven van 't Geloof in God? Hebt gij hier slechts een' korten tijd, Uw'lust, uw' vreugd, aan 't stof gewijd, Dat met u zal verdwijnen; Dan gloort voor u geen lichtstraal meer, Om u te leiden tot dien Heer, Voor wien g'eens moet verschijnen.

't Geloof in God kan 't hart verkwikken, In God, die eeuwig is en blijft,

Wiens licht, in stervend' oogenblikken, De nevelen der ziel verdrijft. Ja dat Geloof voert krachten aan, Om rustig, op de levens-baan, De toekomst aan te staren; Maar hij, die dat geloof hier derft, Zal nimmer, ook niet als hij sterft, Dat licht des heils ontwaren.

't Geloof in God, geeft vast vertrouwen, Geeft troost in bangen tegenspoed; Het doet ons in de toekomst schouwen, Op eeuwig onverliesbaar goed. Geen' duisternis benevelt hem, Die jezus Evangelie-stem, In hart en oor laat dringen; Hem gloort de zon van heil en licht,

Zielzaligend' in 't aangezigt, Doet hem in kerkers zingen.

't Geloof in God, schenkt God ten Vader, Door jezus christus zijnen Zoon, Het leert en leidt, en brengt ons nader, Uit dood en graf, voor zijnen troon. En schrijft het ons vaak pligten voor, Die moeij'lijk zijn, langs 't Godd'lijk spoor, In 't ondermaansche leven; Dit vormt den mensch, in welk een' kring, Tot Christen, en tot hemelling, Om God al d'eer te geven!

Ja, door 't geloof, zien w'al Gods werken, Met eerbied en bewond'ring aan, Om al zijn wijsheid op te merken, In alles wat Hij deed bestaan.

Dan zien w'elk kruidje, bloem en plant, Als maaksels van zijn' almagts-hand, Met heilbespiegelingen; Dan dringt ons lied, van 't nietig stof, De schepping door, tot 's Makers lof, Door zon en sterrekringen.

't Geloof in U, wie zal 't omschrijven, O eeuwig onbegrijp'lijk God! Och! mag het steeds ons rustpunt blijven; Dan smaken wij het zoetst genot; Dan [g]aan wij, zonder angst of schrik, In d'eeuwigheid, een' dankbren blik; O troost! ons nooit t'ontrooven! Dan zien w'U, in uw' Zoon voldaan, Als een' getrouwen Vader aan, Om eeuwig U te loven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.