Skip to content
1818

Nieuwe stichtelijke liederen (2 delen)

Dirk Reijden

XXVIIIste lied. De verraderlijke kus.

Hoe grievend was 't, o Heiland! niet, Toen Gij, op uwe wangen, Den kus ontvingt, die U verried, Ten teeken U te vangen? Gij, die het reinste vriendenhart, Deedt kennen in uw spreken, Werdt valsch gekust! o helsche smart! Bij 't Godontëerend teeken!

Uw vriend, die met U dronk en at, Die aan uw' voeten leerde, Vervolgd' U op uw levenspad, Daar hij als vriend verkeerde; Hij groett' U met een' kus, en ach! Zijn hart, van U geweken, Het geen uw alziend oog doorzag, Kon niet dan valschheid spreken.

Door geldzucht tot die daad verleid, Dorst hij den moordkus wagen, Een' kus, dien hij in d'eeuwigheid, Zich eeuwig zal beklagen. Een bloedprijs voor uw schuld'loos bloed, Kon judas hart bekoren; En ach! hij zag het hoogste goed, Voor zijne ziel, verloren!

Was 't valschheid die de zonde sprak, In Eden, tot verachting Van God, waardoor de mensch verbrak Zijn' blijde zielsverwachting; Gij, Heiland! woudt die schuld voldoen, Liet valschlijk U bejeeg'nen, En helsche magten op U woên, Om adams zaad te zeeg'nen.

Hoe bloedt ons hart, o Heiland! ja Wie zijn wij door de zonden? Zoo niet uw bloed en uw' genaê, Ons bergen in uw' wonden. Een weinig goud of schijngenot, Kan dra ons hart vervoeren, Zoo G'ons niet bindt, als Heer en God, Aan uwe liefdesnoeren.

Geen eigen kracht kan ons doen staan, Daar w'als een riet bewegen; Wij zijn, op onze levenspaên, Tot struik'len vaak genegen; Och schenk ons, door 't geloof, o Heer! Zoo tot uw' eer te leven, Dat wij met liefdekussen d'eer: Aan U als Zoenborg geven!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.