XXVIIste lied. Het zomer-lied.
Gods goedheid klimt nu hemelhoog, Voor aller oog; Juicht, dankbaar, stervelingen! De Zomer wenkt elk tot Gods lof, En geeft ons stof, Om 't vreugdelied te zingen, Om 't vreugdelied te zingen.
Het vruchtgeboomt' en 't rijpend graan, Lacht ieder aan, Beglansd door zonnestralen; De Maar- en Hooijers zijn verblijd, Elk ziet zijn vlijt, Met overvloed betalen, Met overvloed betalen.
Geen schepsel leeft, dat God niet voedt, Zoo mild en goed, Als aller zegenäder; Ja mensch en vee, en bloedloos dier, Ontwaren hier, Hunn' Schepper en hunn' Vader, Hunn' Schepper en hunn' Vader.
't Gevogelt', dat in 't luchtruim zweeft, En al wat leeft,
In velden, bosschen, stroomen, Verheugt zich nu; en zouden wij Gods eerwaardij, Niet dankend tegen komen? Niet dankend tegen komen?
Ja, liefd'rijk God! uw' naam zij prijs, Voor 't gunstbewijs, Dat Gij ons weêr wilt geven; Het golvend' graan, op 't vruchtbaar land, En ied're plant, Zegt ons: ‘uw God geeft leven!’ Zegt ons: ‘uw God geeft leven!’
Uw zegen stroomt alöm, o Heer! Door 't zomerweêr, Dat Gij aan ons blijft schenken; De regen, dauw en zonneschijn,
Die alle zijn Gehoorzaam, op uw' wenken. Gehoorzaam, op uw' wenken.
't Staat al verrukt, waar 't oog zich wendt, En elk erkent Uw' liefde, nooit volprezen; Ons laflied klimt tot U, op 't hoogst; Och! laat den oogst Ons ook gezegend wezen! Ons ook gezegend wezen!
Gij geeft ons ooft, en melk, en brood, Uit 's aardrijks schoot, Die milde bron; maar tevens, Bij olie, most en voedend kruid, O God! ontsluit Gij ons uw woord des levens!
Gij ons uw woord des levens!
Die zielenspijs is meerder waard', Dan immer d'aard' Aan ons zou kunnen geven; Gij gaaft uw' Zoon, dat eeuwig licht, Voor 't zielsgezigt, Om Hem steeds na te streven. Om Hem steeds na te streven.
Ja, met dien Zoon, wilt Gij, o God! Ons volgend lot, Ter zaliging, bereiden; Och! dat uw Geest ons hiertoe bragt, Om, door zijn' kracht, Ons steeds te laten leiden! Ons steeds te laten leiden!
Dan zien w'ook, in de minste plant,
Uw' wijsheidshand, Uw' liefd' en goedheid, blinken; En eens zal, in uw rijksgebied, Ons dankend lied, Op hemeltoonen, klinken. Op hemeltoonen, klinken.
Cookies on Poetry Cove