XIVde lied. Gods goedheid.
O liefderijke Vader! O milde Goedheidsäder! Die niets dan goed bevat; Gij hebt aan ons gegeven, Den adem en het leven, Schoon G'ons niet noodig hadt.
Op ied'ren nieuwen morgen, Zien wij uw' Goedheid zorgen, Om rijken overvloed Aan al wat leeft te schenken; Gij blijft aan ons gedenken, Zoo liefderijk als goed.
Gij slaat uw' Vaderoogen, Vol goedheid en meêdoogen, Op 't arm behoestig kroost; En, in de bangste smarten, Ontsluit Gij liefdeharten, d'Ellendigen ten troost.
Gij kroont de jaargetijden, Die al wat leeft verblijden; De velden, bloem en kruid, De lommervolle dreven, Die vrucht en schaduw geven, 't roept al uw' Goedheid uit!
En wij, wij zouden zwijgen, Ons hart naar U niet hijgen, Die ons, in smart en pijn, In voor- en tegenspoeden,
Wil leiden en behoeden? Dit zou ondankbaar zijn!
Ja, boven al, o Vader! Ontsloot G'uw goedheidsäder, Voor onze kostb're ziel, Die al uw' gunst verbeurde, Zich van uw' liefde scheurde, Toen zij in adam viel.
Ons, die U wederstreven, Hebt Gij uw' Zoon gegeven, Die met zijn dierbaar bloed, Als Priester der verzoening, Bij onze schuldvoldoening, Verwierf het hoogste goed.
Die vrijspraak voor 't gewisse, Die hemelsch' erfenisse,
Hebt Gij ons toebereid; O Goedheid, nooit volprezen! Wie zou niet dankbaar wezen, Voor zulk een' zaligheid?
Wie zou niet alles doemen Wat U onteert? en roemen Al wat Gij spreidt ten toon, Door goedheid aangedreven? Och! doe ons d'eer U geven, In uw' gekruisten Zoon!
Cookies on Poetry Cove