VIIde lied. Zesde bede.
Wij voelen, Vader! ons bestreden, Door zond' en ongeregtigheden, Verzoeking knaagt steeds aan ons hart; 't Vuur, dat in ons gestaâg blijft prikk'len, Doet zaden van bederf ontwikk'len, Tot vruchten van de bangste smart.
Wij, in een' wereld vol van zonden, Aan helsche snoeren vast gebonden, Zijn al te vaak tot kwaad verleid; Wij voelen, bij het edelst pogen Tot strijden, al ons onvermogen, De zwakheên onzer stoflijkheid.
Hoe noodig, Vader! dat wij smeeken, Ontheffing van die zielsgebreken, Die ons zoo dikwijls struiklen doen; Laat geen verzoeking ons zoo treffen, Noch helsche magten zich verheffen, Dat z'overwinnend' op ons woên.
Wij kunnen geen' verzoeking dragen, Noch lusten die ons vleesch behagen, Noch weêrstand bieden in dien strijd; Uw Geest moet ons gestadig sterken,
Het willen en 't volbrengen werken, In onze zielen, t'allen tijd.
Bewaar ons dat w'ons zelv' niet voeren, Daar, waar verzoekers op ons loeren, Tot prooijen van hun heilloos doel; Geef, Vader! dat wij moedig strijden, Als zulken die uw' Naam belijden, En eeren met een rein gevoel.
Verlos ons, Vader! dus van 't kwade, En geef, dat wij, door uw genade, De zielverzoeking' tegenstaan, Om, door uw kracht, met vaste schreden, Den weg des levens op te treden, Dien jezus ons is voorgegaan.
Ja jezus kon verzoeking' weren, Geen Satan kon Hem overheeren,
Al bood hij Hem de kroon en staf, Van d'ondermaansche koningrijken, Dit deed zijn' eerbied niet bezwijken, Dien Hij aan U, zijn' Vader, gaf.
Och! zie ons, Vader! vol meêdoogen, Daar w'in ons zelven niets vermogen, In jezus aan, die, door zijn kracht, Om ons verzoeking heeft gedragen, Geheel de helmagt heeft verslagen, Tot Hij kon zeggen: ‘'t is volbragt!’
Cookies on Poetry Cove