VIde lied. Vijfde bede.
Al gaaft Gij ons, o Vader! Uit uwe goedheids-äder, Den rijksten overvloed Van al 't genot der aarde, Bij d'allerhoogste waarde Van 't hier vergank'lijk goed, Zoo w'in de zonde bleven, Zou 't ons geen zielrust geven, Voor een toekomstig lot; Ontferming en genade, Komt ons veel meer te stade, Dan al het schijngenot.
Wij knielen voor U neder, O Vader! die zoo teeder Op boetelingen ziet; Vergeef ons onze zonden, Die uwe wetten schonden, Gedenk ons misdrijf niet! Ook wij, wij willen toonen, Dat w'allen, die ons honen, Tot grievend leed en smart, Vergeving willen schenken, Hun misdaên niet gedenken, Met een regt Christen hart!
O Vader! stort dien zegen, Door uwen Zoon verkregen, Verhoorend' op 't gebed! Zoo G'ons niet woudt vergeven,
Al wat wij steeds misdreven, Geen ziel werd ooit gered, Wij toch zijn aardelingen, Die 't diep bederf ontvingen, Van 't kiemend leven af; Wij zullen zondaars blijven, Vervuld met wanbedrijven, Tot aan het zwijgend graf!
't Bederf, dat wij gevoelen, Blijft immer in ons woelen, Hoe ook met kracht weêrstaan; De beê om 't schuldvergeven, Moet, door geheel ons leven, Van onze lippen gaan; Vol jamm'ren en ellenden, Moet elk zich tot U wenden,
O Vader! en uw Zoon, Voor onze schuld gestorven, Heeft ons den weg verworven, Tot uw' genade-troon!
Och! wil U dus ontfermen, Zoo vaak wij biddend' kermen, Om schuldvergiffenis; En leer ons zoo te leven, Dat wij bewijzen geven, Wat schuldvergeving is. Dat wij, uit wederliefde, Daar onze schuld U griefde, De zonde weêrstand biên; Outzinkt hier ons vermogen, Dat dan uw' Vader oogen, Op ons, in jezus, zien!
Cookies on Poetry Cove