XXIIste lied. Eerste kerszang.
Deed augustus 't volk vergaêren, Hij doorgrondde 't Godsplan niet; 't Heilgeheim moest zich verklaren, Onder 't woord van zijn gebied; Niemand dacht aan achterblijven, Caesars woord werd trouw volbragt; Maar wie had, bij dit beschrijven, Zulk een heilig kind verwacht?
Hij, door wien de vorsten leven, Heerschend' zitten op hunn' troon; Moest zich meê op reis begeven, Ongekend als davids Zoon; Onder 't maagd'lijk hart gedragen, Reisde Hij naar Bethl'em heen; Daar het licht des heils moest dagen, 't Welk reeds aan de kimmen scheen.
Juicht nu vrolijk, Ongetroosten! 't Blij orakelwoord heeft kracht; Juicht: ‘de heilster gloord' in 't oosten, ‘Jezus is aan 't licht gebragt!’ Hij, op wien al d'Eng'len staren, d'Albeheerscher vol genaê, Deed zich door zijn' Moeder baren, In een' Karavansera.
Juicht nu vrolijk, Reisgezellen! Neen; 't was u nog duisternis; Herders moesten u vertellen, Dat dit Kind de Schilo is; Herders moesten u doen hooren: ‘In het veld van Efrata, Juicht men: jezus is geboren, In een' Karavansera!’
Juicht nu vrolijk, Sionieten! Ziet dit Kind, uw' Heiland, aan; Laat geen' bangen traan meer vlieten, 't Licht des heils is opgegaan: Wat de hofslang heeft verdreven, Zal dit heilig Vrouwezaad, U genadig wedergeven, Naar Gods eeuw'gen vrederaad.
Dankb're tranen mogen stroomen, Tranen van het reinst gevoel; Daar G', o jezus! zijt gekomen, Met een zondaarslievend doel; Och! doe ons uw doel beseffen, En U, in uw' ned'righeid, Als den God des heils verheffen, Die ons naar den hemel leidt.
Was een stal uw' eerste woning, Bij uw' komst in 't vleesch op aard', Gij toch bleeft, o Hemelkoning! Aller Eng'len lofzang waard'. Leer ons ook uw' lof te zingen, Daar G'ons nu ten broeder zijt; Maak ons, als de hemellingen, Heer! met uwe komst verblijd.
Cookies on Poetry Cove