Iste lied. Aan het Opperwezen.
Oneindig Opperwezen! Mijn Schepper, God en Heer! Door d'Englen nooit volprezen, Dien 'k als mijn' Vader eer; Leer mij uw' lof te zingen, Verheugd met hart en mond, Daar Gij uw' zegeningen, Verspreidt op 't wereldrond. -
'k Ben door uw' kracht herboren; Uw Zoon heeft mij verlost; Dit heil, mijn' ziel beschoren, Heeft schuld'loos bloed gekost. - 'k Mag U, o Zoon! aanschouwen, Als Losser en als God, De rots van mijn vertrouwen, De bron van 't zoetst genot. -
Wat rampen mij hier treffen, Gij troost, in druk, mijn' ziel, Om 't hoofd weêr op te heffen, O Geest! voor wien ik kniel; - Uw Godd'lijk Alvermogen, Wil mij in droefenis, De heetste tranen droogen, Mij schenken wat ik mis.
Kan ik 't geheim niet vatten Van uw bestaan, o Heer! 'k Blijf dit U waardig schatten, Uw' grooten Naam ter eer: Ik mogt in U ontdekken Een' bron van zaligheid; Die vreugd' in 't hart kon wekken, En mij ten hemel leidt.
Gij deedt mijn ziel ontwaren, Die blijde morgen-zon, Die 't duister op doet klaren, En al haar' angst verwon; Nu zie ik, in uw' stralen, Den reinsten liefdegloed, Bij 't vlekk'loos schuldbetalen Voor mijn bevlekt gemoed.
Och! doe mij voor U leven, Volzalig goeddoend God! Mij, in den doop, gegeven; Beschikker van mijn lot! Mag 'k mij aan U verbinden, Geen zucht wordt meer geloosd, Daar 'k zulk een' God mogt vinden, Die eischt, verlost en troost! -
Cookies on Poetry Cove