XXIXste lied. Het herfst-lied.
De Herfst blaast door de dreven, Die zachte schaduw geven, Werpt vruchten op den grond; Zij treedt langs berg en dalen, Doet alles binnen halen, Wat nog te rijpen stond. Wat nog te rijpen stond.
Zij dekt de wandelpaden, Met half verdorde bladen, Van 't lommervol geboomt'; En woedt, met forsche krachten, Daar zij voor bange klagten, Noch voor vernieling schroomt. Noch voor vernieling schroomt.
De zon schiet laat haar stralen, En, door haar vroeger dalen, Maakt zij de dagen kort. Al 't schoon zien wij verdwijnen; De laatste bloempjes kwijnen; Al 't veldgewas verdort. Al 't veldgewas verdort.
De vo elkoren zwijgen; En alles schijnt te hijgen,
Naar d'ademtocht der rust; De zomer, zoo vol luister, Is, door 't verspreide duister, Als in den slaap gesust. Als in den slaap gesust.
De gure stormen loeijen; De regenwolken groeijen, En storten, dag en nacht, Zich uit, met volle stroomen; Het vee moet stalwaarts komen, Of wordt tot spijs geslagt. Of wordt tot spijs geslagt.
Ja, Gods goeddoende zorgen Vernieuwen ied'ren morgen, Voor ons, ter goeder uur; Treedt nu van dorre velden,
Om van Gods gunst te melden, In berg en voorraadschuur. In berg en voorraadschuur.
Daar zien wij 't al vergaêren, Tot winter spijs bewaren, Wat ons de zomer schonk; De dorschvloer moet, bij 't loonen Des Dandmans zweet, ons toonen, Wat vrucht op d'akkers blonk. Wat vrucht op d'akkers blonk.
De velden, akkers, boomen, 't Moet al tot ruste komen, Wat God heeft voortgebragt; Zijn' wijsheid heeft die schikking Gegeven, tot verkwikking, En tot herstel der kracht.
En tot herstel der kracht.
De Herfsttijd onzer jaren, Vol kommer en bezwaren, Voert ons aan 't eind der baan; Dan slijten onze krachten, En wie zou dan niet trachten, Ook in de rust te gaan? Ook in de rust te gaan?
Die rust wil God ons geven, Elk tijdperk van ons leven, In zijn' geliefden Zoon, Als w' in Hem vruchten dragen, In vroeg' of later dagen, Zijn liefde-werk ten loon. Zijn liefde-werk ten loon.
Laat dan de doodstorm loeijen,
Ons in de kluisters boeijen Van 't altijd zwijgend graf; God zal ons doen ontwaken, De vrucht zijns Zoons doen smaken, Die Hij van 't kruis ons gaf. Die Hij van 't kruis ons gaf.
Cookies on Poetry Cove