XXIVste lied. Derde kerszang,
Wie zou niet vrolijk, blij te moê, Naar jezus henen streven, En juichen Hem een' lofzang toe, Als 't leven van ons leven? Zou ons geloof, op 't Godd'lijk woord, Niet staren op dat zalig oord, Waar jezus is geboren? Komt, Christ'nen! door 't geloof geleid,
Naar jezus krib, waar zaligheid Voor zondaars is beschoren.
Dat d'aard, als 't Efratasche veld, Weêrgalm' van juichend' danken, En elk, tot eer van Siöns Held, Verheff' deez' blijde klanken: ‘De Vredevorst, die d'aarde draagt, Geboren uit den schoot der Maagd, O wonder in elks oogen! Omwonden als een weêrloos kind, Van God en Eng'len teêr bemind, Lag hier in 't stof gebogen!’
Noch schaduwdienst, noch offervlam, Komt Isrel meer te stade; Nu leeft de spruit uit Jesses stam, De Heilvorst vol genade;
Nu leeft de Vorst der eeuwigheid, Die davids troon, met majesteit: Weêr luister bij zal zetten; Nu leeft het ware Vrouwezaad, Dat, naar Gods eeuw'gen vrederaad, De Hofslang zal verpletten.
Nu gloord', in ons gezegend Hoofd, De Godd'lijk schoone morgen; Al wat de zond' ons had ontroofd, Was in dien schat verborgen; Nu mogen wij, in God verblijd, Met psalmen, aan Hem toegewijd, En dank'bre lofgezangen, Verlossing uit ons treurig lot, Gods Vaderliefd', en 't zoet genot Der zaligheid ontvangen.
O dierb're Heiland! Levensvorst! O Schepper van uw' Moeder! Fontein des heils voor zielendorst, O eeuwig' Albehoeder! Dat Jood en Heiden voor U kniel'; Verdrijf het duister hunner ziel, Om, in uw' liefdetrekken, Het welbehagend' Godd'lijk schoon, En 't heil van uw' genadetroon, Aan krib en kruis t'ontdekken!
Cookies on Poetry Cove