Skip to content
1818

Nieuwe stichtelijke liederen (2 delen)

Dirk Reijden

XXIIIste lied. Tweede kerszang.

Juich vrolijk, Christenheid! De hemel-majesteit Verdreef het ak'lig duister; De bangste nacht verdween, Daar 't licht des heils verscheen Met meer dan Eng'lenluister.

De hemel-burgerij Streek neêr met melodij,

En blijde lofgezangen; Die heerschaar van Gods troon, Deed d'aard den hemel-toon Van 't Godd'lijk koorlied vangen!

‘Geloofd zij God alöm! In 't hoogste heiligdom; Den vreê moet d'aarde dragen, Nu adams nageslacht, In deez' verlichten nacht, Deelt in Gods welbehagen!’

Dus juichte 't zalig Koor, De luchtgewelven door, Tot in het hof der hoven, Om met dit nieuwe lied Hem, die 't heelal gebiedt, Voor zijnen troon te loven.

Heft, Christ'nen! 't Feestlied aan, Laat harp en citer slaan; Juicht vrolijk, Jood! en Heiden! Nu houdt geen middelmuur, Noch vlammend offervuur, Ons van elkaêr gescheiden.

Nu is de zaligheid Alöm ten toon gespreid, Voor al de nageslachten; Juich vrolijk, adams kroost! Dit is de ware troost, Dien Isrel bleef verwachten.

Juich al wat adem heeft, Nu onze Koning leeft, Die eeuwig zal regeren; Zijn zachte heerschappij,

Zal helsche dwing'landij Aan zijnen voet verneêren.

O aller Vad'ren wensch! Gij werdt om ons een mensch, Opdat G'ons vrij zoudt maken, Door uw genaê en kracht, Van 't snoer der helsche magt, Dat Gij alleen kondt slaken.

O Siöns Vorst en Heer! Wij juichen, U ter eer', In blijde feestgezangen; Wil onzen dankb'ren lof, Schoon nog geboeid aan 't stof, In uwe gunst ontvangen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.