XVIIde lied. Jezus is mijn verlosser.
Klimt dankb're zangen naar omhoog, Ik sla op mijn'Verlosser 't oog, Die 't al verwon wat ik moest derven; Mij zondaar, die geen oogenblik, Kon leven zonder angst en schrik, Deed Hij gena' en heil verwerven.
Ik, zondaar! ja, die niets vermag, Ik, overtreder, dag aan dag, Wiens misdrijf steeds d'Algoedheid griefde, Ik voel m'een deelgenoot van 't plan Des heils, dat nimmer falen kan, En d'adem is der eeuw'ge liefde!
Dat plan, in d'eeuwigheid gegrond, Heeft jezus, met zijn' eigen mond, Verklaard, in d'Evangelie-bladen; O troost! bedwelming grijpt mij aan, Ik, zondaar, kan voor God bestaan, Met jezus reine liefde-daden.
Ik ga dus voort, in jezus kracht, Zijn licht verdrijft den donk'ren nacht Van ongeloof, en zonde-lusten; Hij, die verlossend heil mij schonk,
Voor mij den lijdens-beker dronk, Wil dat mijn ziel in Hem zal rusten.
Wat onspoed mij de zonde baart, Op 't glibb'rig levenspad der aard, 'k Blijf toch aan mijn' Verlosser kleven; Ik weet mijn schuldvol doornig pad, Loopt, kronk'lend', naar de hemelstad, Om daar volmaakt met Hem te leven.
Gij, mensch geworden Zoon van God! Bewogen met mijn zondaars lot, Vernederd' U, en kwaamt op aarde; Wie kent een liefd', een za-lig-heid, Zoo groot, door U ten toon gespreid, Bekleed met goddelijke waarde?
Och! voeld' eens ieder sterveling, Wat heil hij in uw' komst ontving,
Toen Gij deez' aarde kwaamt bewonen! Hoe moest dan 't ondermaansche lied, Niet galmen door uw rijksgebied, Om wederliefd' aan U te toonen.
Eens komt dat uur, ja, Heer! die dag, Dat Gij, met eerbied en ontzag, Van uw' verlosten zult ontvangen, Verheven boven 't la-ge stof, d' Aanbidding, eer en dankb'ren lof, Met nooit verdoofb're Feestgezangen.
Cookies on Poetry Cove