XVIIde lied. Gods alwetendheid.
Alwetend God! uw' alziend' oogen, Doorloopen 't gansche wereldrond; Gij ziet der menschen doel en pogen; Wat w'in ons hart besluiten mogen, Hebt Gij veelëer dan wij doorgrond.
O Heer! die alles kunt bepalen, Wat is, of was, en wezen zal; Wie kan uw' wetenschappen malen, Die schooner blinken, dan de stralen Der slonkerlichten van 't heeläl?
Wie heeft in uwen raad gezeten, Toen uwe hand den starrenboog En werelddeelen heeft gemeten? Die kennis gaat, bij 't geen wij weten, Den wijsten sterveling te hoog!
Gij zaagt ons eer wij 't licht ontvingen; Uw alziend' oog aanschouwt, o Heer! Het gansch gedrag der stervelingen; Ja 't ziet, door al de hemelkringen, Tot in den diepsten afgrond neêr.
Gij weet de leiding der gedachten, Waarheen de mensch zijn' schreden wendt: Wat wij ooit willen of betrachten, En wat ons immer staat te wachten, Is U, o God! alleen bekend.
Gij toch verzelt all' onze schreden, Waar niemand is, o God! zijt Gij! Het diepst verborgen overtreden, Ziet Gij, door al de donkerheden, Daar niets voor U in 't duister zij.
Hoe moesten wij, daar G'onze daden, Alwetend' God! volmaakt doorziet, Omzigtig wand'len; en de paden Der ondeugd vlieden, die ons schaden, Om zoo te doen als Gij gebiedt.
Alwetend God! och wil ons leeren, Dat niets uw alziend oog ontgaat, Opdat wij 't kwade van ons weren; Het goede voor ons hart begeeren, Dat Gij in alles gadeslaat.
Gij weet all' onze zielsgebreken, O God! leid ons op d'effen paên; Zie, wat wij denken, doen, of spreken, Daar wij van 't heilspoor zijn geweken, In jezus bloed, ontfermend' aan.
Cookies on Poetry Cove