Vde lied. Oorspronkelijk bederf.
Een heer van zonden en gebreken, Zie 'k, nietig sterveling, in mij; 'k Ben uit mijn' eersten stand geweken, Door helsche magt en heerschappij. Ik kwam volmaakt uit 's Makers handen; Hij was mijn Vader, Vriend en Heer, Voor wien mijn liefdevuur moest branden; Maar, ach! ik schond te snood zijn' eer!
God schiep mij, om voor Hem te leven; Had mij tot zulk een' staat bereid, Dat ik Hem eind'loos eer kon geven, In vlekkelooze heiligheid: Door adams val en overtreden, Werd hem en mij Gods Beeld ontroofd; De zonde sloop in 't bloeijend' Eden, En heeft mij 't glansrijkst licht verdoofd.
Ik zie mijn' wil en magt verbroken, Waar ik ook naar mijn' heilstaat zoek, Daar Edens Hofslang heeft ontstoken Een vuur der smart, voor d'aard' ten vloek. 'k Moet van de kiem mijns levens zuchten, Daar 't zielsbederf mij nederdrukt, En smaak de doodelijkste vruchten, In Edens Hof voor mij geplukt!
De weerzin knot mijn' Godsdienstpligten, Ontrukt aan mij het hemelsch goed; Het snood bederf schiet helsche schichten, In mijn, van smart doorknaagd, gemoed; Maar 't blij vooruitzigt komt mij streelen, Mijn starend oog ziet Gods genaê, Die mij de zoetste vrucht wil telen, Aan jezus kruis, op Golgotha!
Op Golgotha, mijn bloeijend Eden, Zie ik de Hofslang neêrgeveld; Verzoend al d'ongeregtigheden, En Gods geschonden Beeld hêrsteld; O troost in leven en in sterven! Bezwijkt mijn vleesch, mijn' ziel houdt moed; 't Geloof doet mij genaê verwerven, Door jezus dood en offerbloed!
Nu mag ik vrolijk henen streven, Door zandwoestijn en wildernis; Ik zie toch, in de groene dreven, Den Heuvel, waar mijn' rustplaats is. De heilfontein blijft immer vloeijen, En beekjes stroomen langs mijn' paên, Waar rozen en ook dist'len groeijen; Maar 'k blijf op d'eeuw'gen Rotssteen staan.
Cookies on Poetry Cove