Skip to content
1818

Nieuwe stichtelijke liederen (2 delen)

Dirk Reijden

XLIXste lied. Boetzang vóór den biddag.

Zie ons, in ootmoed neêrgebogen, Volzalig, goeddoend' God! Wij heffen tot U schreijend' oogen, In ons angstvallig lot. Wij hebben tegen U misdreven, O hoogste Majesteit! Der zondenlust gehoor gegeven, En U 't gezag ontzeid.

Wij schreijen tranen; ach! wij weenen: Wij zien de voorspoedszon, Die ons zoo glansrijk heeft beschenen, Gezonken in haar bron. Wij zien den dart'len wellust blinken, En stille ned'righeid, Als in den diepsten afgrond zinken, Waar zij uw' hulp verbeidt.

O God! vloei, vloei in aller harten, Die nog, met eelt omkleed, Gevoelloos zijn voor al de smarten Van Neêrlands drukkend leed. Och! maak ons allen boetelingen, Door 't reinste schuldgevoel, Opdat wij uwen troon omringen; Naar 't heilig Godd'lijk doel!

Natuur verbleekt bij d'euveldaden; Geheel de schepping zucht, Zoo lang de zondaar U blijft smaden, Weêrspannig U ontvlugt. Het hart, in rouw tot U gevloden, Met zonden zwaar belaân, En 't schreijend' oog, geprangd door nooden, Ziet Gij ontfermend aan.

Gij zet de liefdebron nog open, Die voor den boet'ling vloeit; Dit doet ons, Heer! op vruchten hopen: Aan jezus kruis gegroeid! De doornen mogen zich verheffen, Op 't donker levenspad; Gij maakt de struikelingen effen, Door 't bloed uws Zoons bespat.

Verschoon al onze wanbedrijven; Wij smeeken om genaê; Verkwik ons door de vreê-olijven, Gegroeid op Golgotha. Gij toch verstoot geen boetelingen; Gij wenkt hen tot uw' troon, Om van bevrijding blij te zingen, In uw' gekruisten Zoon!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.