Skip to content
1818

Nieuwe stichtelijke liederen (2 delen)

Dirk Reijden

XXXVIste lied. Jezus derde kruis woord.

Had onze schuld, o Heer! U aan het kruis geslagen; Voldeedt G', in smart, aan d' eer Van 't Godd'lijk welbehagen; De gansche magt der hel, Kon U, Immanuël, Die vrijmagt niet ontrukken, Dat Gij een' kruisgenoot, Die heil zocht in uw' dood, Gaaft vrucht van 't kruis te plukken.

Hier hoord' een boeteling, Op zijn geloovig smeeken, Daar hij genaê ontving, Uw schuldverzoenend spreken: ‘Gij zult met mij weldra, Van 't smartvol Golgotha, In 't zalig Eden wezen!’ Zoo deedt Gij aan uw kruis, Ten spijt van 't helsch gespuis, Des zondaars kwijtbrief lezen.

Zoo bleeft G, o Levenszon! Zelfs in de doodskim schijnen; Uw hemelluister kon Het nachtfloers doen verdwijnen, Daar Gij 't geprangd gemoed, Bij 't stroomen van uw bloed,

Schonkt onvergank'lijk leven; Och! wil ook ons, in smart, O Koning van ons hart! Dien zielenbalsem geven!

't Geloof zag hier de vlam Der liefde, tot voldoening; Den priester en het Lam, Op 't outer der verzoening; 't Zag hoe Gij, uit uw leed, Volmaaktheid schitt'ren deedt; Den hemel blijdschap baardet; 't Zag, in uw smart, hoe Gij Uw' kracht en heerschappij, Als God en Heer, bewaardet.

Wij knielen dankend' neêr; Och! wil aan ons gedenken,

Daar wij ons hart, o Heer! Aan U ootmoedig schenken! Geef ons geloof en licht, Om, met ons zielgezigt, Steeds op uw kruis te staren; Doe ons, in bangen strijd, De magt der hel ten spijt, Uw' liefdegloed ontwaren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.