IVde lied. Zielrust.
Gelijk een bloem, in 't stof gezegen, Door 't zomer-zonnevuur, Haakt naar verkwikkelijken regen, En 't koelend' avonduur, Zoo haakt mijn' ziel naar 't rustvol leven; Den last der zonde moê, Wil 'k mij in jezus dienst begeven: Die zegt mij zielrust toe.
Bij 't zien van pligt, om God te minnen, Gevoel ik moed noch kracht, Om al den weêrzin t'overwinnen, Die mij beheerscht met magt. God doet mij door 't gevoel beseffen, Hoe vaak de worm der smart Zich, in mijn' boezem, blijft verheffen, En knaagt aan 't schuldvol hart.
De zonde blijft Gods liefde haten, Voert niet dan boosheid aan; Zou ik de bron des heils verlaten, En 't pad der onrust gaan? Zou ik van Hem gestadig zwerven, En, in een' wereldzee Van duizend zielsgevaren, derven De blijde hemelreê?
Neen: lieve jezus! zie mij vlugten Tot U, die zielrust schenkt; En 't angstvol hart, na bange zuchten, Met levenswater drenkt; Hoe ook vermoeid en afgestreden, Door zonde neêrgedrukt, Die tot U vlugt, zal 't pad betreden Waarop men rozen plukt.
Ik vlugt naar U, die den belasten Ontheft van druk en kruis; Die hongerigen wilt vergasten, Door 't goede van uw huis; Zie 'k Horeb bliksems schieten, beven: Gij leedt op Golgotha, Om aan vermoeiden rust en Ieven Te schenken, uit genaê.
Och! doe mij, Heer! die zielrust smaken, Die 'k op mijn levenspad Behoef, om uit den strik te raken, Die knellend' mij omvat. Doe mij dien zielenbalsem vinden, Die wond bij wond geneest, Laat uwe hand mij zacht verbinden, Dan leef ik onbevreesd! -
Cookies on Poetry Cove