XLste lied. Onsterfelijkheid.
Zou de mensch, voor korte stonden Levens, hier op aarde zijn, Slechts bestemd voor droefenissen, Moeite, zorgen, angst en pijn? Of in wellust, vreugd te smaken, Als een vsinder, kort van duur, Die zich dart'lend' zier verzwolgen, In de werking der natuur?
Neen, d'Onsterf'lijkheid geeft waarde Aan den mensch, tot hooger doel; Leert hem vroeg omzigtig wand'len, In dit ondermaansch gewoel. Zij, die hunn' bestemming kennen, En wier leven christus is, Zullen voor den dood niet vreezen, Ziend' op d'eeuwig' erfenis.
Sterven! - ja dit woord doet beven, Hen, die in dit aardsch genot, Al hun heil en wellust zoeken, Sidd'ren voor een heilig God; Daar z'Onsterf'lijkheid gevoelen, In de neiging van hun hart, Maar die inspraak immer smoren, Door het zingenot verward.
Voel, o mensch! hier uw' bestemming, Denk dat gij onsterf'lijk zijt, Waart gij slechts voor d'aard geschapen, Dan hadt g'u met stof verblijd. Uren, dagen, maanden, jaren, Zinken eens in 't eeuwig niet, Maar d'Onsterf'lijkheid doet juichen, Hem, wiens oog op jezus ziet.
Laat de dood onz' oogen sluiten; Uit die donkerheid rijst licht, Om den schat des heils t'aanschouwen, Waarvoor d'aardsche goudmijn zwicht. Dan verheffen w'ons in 't leven, Boven 't leed ons hier bereid, En wij roemen, bij ons sterven, Juichend op d'Onsterf'lijkheid!
Lieve Heiland, troost des levens! Gij hebt ons d'Onsterf'lijkheid, Als een' levensbron doen kennen, Die ons naar den hemel leidt. Welk een' vreugd voor stervelingen, In u heeft de dood geen kracht, Gij hebt dien voor ons verslonden, Toen gij uitriept: ‘'t is volbragt!’
Cookies on Poetry Cove