XXIVste lied. Op het nieuwe-jaar.
Zingen wij nu Feestgezangen, Bij dit rijzend morgenlicht; 't Oude jaar laat zich vervangen, Door een nieuw, dat ons verpligt, God te loven, God te danken, Met aanbidding diep ontzag! Juich nu elk, met blijde klanken, Hem ter eer op dezen dag! Hem ter eer op dezen dag!
God des levens, ons ten leven!
Die de wiss'ling van den tijd, Aan ons menschen hebt gegeven, Om te zien hoe alles slijt, Wat G'op aarde deedt verschijnen; Rotsen, bergen hemelhoog, Moeten, als het gras, verdwijnen, Voor uw eeuwig blijvend' oog. Voor uw eeuwig blijvend' oog.
Ja wij leven slechts hier stonden, Hoe veel tijd Gij ons bereidt; d'Eeuwen zelfs zijn ras verslonden, Bij 't gezigt der eeuwigheid, Leer ons, Heer! de wisselingen Van den tijd, zoo gadeslaan, Dat w', in onze levenskringen, Zien, hoe w'immer grafwaarts gaan.
Zien, hoe w' immer grafwaarts gaan.
Och! dat deze nieuwe morgen, Liefd'rijk God! ons heilig zij; Dreigen ons soms nieuwe zorgen, Zorgend' Vader! blijf ons bij; Laat dan 't Jaar, bij dag en uren, Met dat vorige vergaan, Als het ons maar aan mag vuren, 't Biddend' oog op U te slaan. 't Biddend' oog op U te slaan.
Moeten wij, door smart en lijden, Over bergen van verdriet; Hongersnood en dure tijden, Staan ook onder uw gebied. Gij die, van de kiem des levens, Voor ons zorgdet, goeddoend' God!
Bleeft ons bij; Gij zult ook tevens Zorgen, voor ons volgend lot. Zorgen, voor ons volgend' lot.
't Zegt niet, als een bloem te pralen, In het leliewit gewaad, Schat op schat bij een te halen, In een koninklijken staat; Gij, o God! roept ons tot sterven, Ach! wat baat dan aardsche schijn, Of wie onzen schat zal erven, Zoo w' in U onvruchtbaar zijn! Zoo w' in U onvruchtbaar zijn!
't Zegt niet, of wij tachtig jaren Hier beleven, of nog meer, Zoo wij toch geen vruchten gaêren, Uit uw Evangelie - leer;
Zoo wij niet tot rijpheid komen, Voor den oogst der zaligheid, En voor 't sterfuur moeten schromen, Dat eens slaat, schoon 't nog verbeidt. Dat eens slaat, schoon 't nog verbeidt.
Mogt dan ieder Jaar ons leeren, 't Nieuwe tijdperk, dat G' ons geeft, U te kiezen, 't kwaad te weren, Opdat onze ziel herleeft; Dat wij U, den Vader, kennen, Door 't geloof in uwen Zoon, En ons aan uw' dienst gewennen, Wandelend' naar uw geboôn. Wandelend' naar uw geboôn.
O! dan zal elk Jaar ons wezen, Een vernieuwde zaligheid,
En ons hart geen sterven vreezen, Door uw invloed voorbereid. Och! schenk ons de zegeningen, Voortgevloeid uit jezus bloed, Op dat d' aardsche wisselingen, Troostrijk zijn voor ons gemoed. Troostrijk zijn voor ons gemoed.
Dan vernieuwen onze krachten, Voor een zaal'ger levensstand, En wij mogen blij verwachten, 't Eeuwig blijvend' vaderland, Daar men uren telt noch jaren, Wisseling van zon noch maan, Om in 't eeuwig licht te staren, Dat geen nachtfloers doet vergaan. Dat geen nachtfloers doet vergaan.
Cookies on Poetry Cove