XXXIIste lied.
Jezus geleid naar Golgotha.
O Heiland! Zoon van God!
Gebeukt, gehoond, bespot,
Geboeid in helsche snoeren,
Liet G'U naar Golgotha,
O liefde! vol genaê!
Ter doodstraf henen voeren.
Hoe wreed een woest gespuis,
Het vloekvol harde kruis,
U op de schoud'ren drukte;
Geen' smart was U te veel,
Daar G'U aan eenig deel
Uws lijdens nooit ontrukte.
Zoo moedig trad geen held,
Naar 't bloedig oorlogsveld,
Om tot zijn' eer te strijden;
Dan Gij, o Heiland! tradt
Op uw zoo doornig pad,
Om voor mijn' schuld te lijden.
Och dat uw kruis, o Heer!
Mijn roem zij en mijn' eer;
't Leer mij mijn' schuld betreuren,
En met een rein gevoel,
Naar uw verheven doel,
Uw' dienst mij waardig keuren.
Uw kruis, zoo vol genaê,
Verzell' mij, waar ik ga,
Ook op mijn' lijdenspaden;
Opdat ik, voor elks oog,
Mijn' liefde toonen moog',
Voor U, uit al mijn' daden.