XLVste lied. Pinkster-zang.
Mogt Isrel in het goudgeel graan, Vol vreugd, de kromme sikkel slaan, Op 't feest der eerstelingen; Wij mogen nu, door jezus geest, Den zielen-oogst van 't Pinksterfeest, Met nieuwe klanken zingen.
De Heiland leeft, dus juichen wij, Verheerlijkt in zijn' heerschappij; Als Siöns Heer en Koning; Hij zond zijn' Geest, den trooster, neêr, Ter staving van zijn' hemelleer, En 't kenmerk zijner krooning.
Zijn Geest gaf nu, door wind en vuur, Meer dan de krachten der natuur, Een Godverëerend teeken; Daar Hij den galileeschen mond, De leer van 't eeuwig vreêverbond, In aller taal deed spreken.
De Meder, Parther, A-ra-bier, Romein, Cretenser, elk moest hier, Bewond'rend opgetogen, Getuigen, schoon de laster spott': Dit is een wonderwerk van God, Door zijn geducht vermogen.
Zoo velde jezus reine Leer, Den schaduwdienst en d'afgoôn neêr, Door zijne heilgezanten; d'Apostelschaar, zoo min geächt,
Had nu de wijsheid, moed en kracht, Om jezus kerk te planten.
Een' Leer, van aardsch gezag ontbloot, Die wellust, eer noch aanzien bood, De wereld leert verlaten, Bragt nu, uit aller taal en oord, Voor jezus troon, door geest en woord, Veel duizend' onderzaten!
O lieve Heiland! zoo woudt Gij, Door uwen Geest en heerschappij, Uw' kerk op aarde stichten; Och zend uw woord de wereld door; Wil Kaffer, Indiaan en Moor, Ook abrams zaad, verlichten.
Mogt Bij-en Ongeloof de kracht, Die ons uw Geest heeft aangebragt,
Door uw' genaê ontvangen! Dan wierd U alle knie, o Heer! Gebogen, uwen naam ter eer, Met blijde lofgezangen.
Wij vieren, Heer! uw Pinksterfeest; Och, blijf ons bij met uwen Geest! Dien wij gestaag behoeven. Ten Leidsman op de levensbaan, Opdat wij Hem door euveldaân Noch ongeloof bedroeven.
Uw Geest zij ons ten troost en licht, Och! dat Hij onze gangen richt', Om tot uw' eer te leven! Hij sterk' ons in den bangsten nood, Door zijne kracht, als w'aan den dood De jongste suikken geven.
Cookies on Poetry Cove