Skip to content
1818

Nieuwe stichtelijke liederen (2 delen)

Dirk Reijden

XXXVIIste lied. Boetvaardigheid,

Boetvaardigheid, ja 'k zing haar' lof, Zij blijft het voorwerp van mijn' zangen; Al werpt z', in ootmoed, mij in 't stof, Als mij mijn' boezem-zonden prangen; Zij geeft mij, daar 'k mijn schuld gevoel, Den besten troost naar 't Godd'lijk doel.

Door haar geleid naar d'Opperheer, Werp ik mij, schaamrood, aan zijn' voeten; Dra valt de trotsche Dagon neêr, Die mij weerhield mijn' God t'ontmoeten; En schoon mijn oog hier tranen schreit, Die tranen sproeijen zaligheid.

'k Zie david, op zijn' bloedschulds klagt, Als Boeteling, het harte scheuren; Ik hoor manass', in assurs magt, Zijn' euveldaden diep betreuren; 'k Zie petrus, die zijn' val beschreit, Als beelden der Boetvaardigheid.

O! waar wordt ooit genaê en licht, In 't hart gestort, voor 't hemel leven, Dan daar, waar men vol weedom zwicht, Voor al wat wereldmin kan geven; Waar men opregt zijn' schuld betreurt, Het hart, en niet de kleêren scheurt!

De ware boet'ling, wars van schijn, Kan nimmer veinzerij gedoogen, Zijn schuldgevoel is harte pijn, En schaamte voor Gods alziend' oogen;

Naauw durft hij 't oog ten hemel slaan, Bij 't prangen zijner euveldaân.

De Tollenaar, geen Farizeen, Kan, met zijn ootmoed, God behagen, Boetvaardigheid leert hem alleen, Zijn' onmagt zien, zijn' schuld beklagen, Ach! waar dan heen? naar God? o ja! Naar jezus bloed, naar Golgotha.

‘O God!’ zoo leert Boetvaardigheid, Haar boetelingen, biddend', smeeken; ‘Genaê, o Oppermajesteit! Vergeef all' onze zielgebreken; Wie toch zal, Heer! voor U bestaan, Zoo Gij met ons in 't regt wilt gaan!’

‘Och Heer! ontferm U, zie ons aan, Met onze diep getroffen wonden;

Hoe vaak wij, op de levensbaan, Uw' goedheid en uw' wetten schonden; Genaê, o God! verstoot ons niet, Daar nu ons oog op jezus ziet!’

Gelukkig hij, die zoo zijn' schuld Mag zien, en voor zijn' God betreuren; Wiens hart met ootmoed is vervuld, Om 't uit den doodslaap op te beuren, Die daartoe licht, geloof en kracht, Uit jezus dierbaar bloed verwacht.

Och! wierp zoo ieder mensch, o Heer! Met zondenrouw en ootmoed tevens, Voor uw' genade-troon zich neêr, Hij smaakte, op den weg des levens, De hemelvreugd voor zijn gemoed, Gekocht door jezus offerbloed.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.