Skip to content
1818

Nieuwe stichtelijke liederen (2 delen)

Dirk Reijden

XXXIste lied. Jezus lijden voor Pilatus.

Hoe d'onschuld wordt geplaagd, Daar zij het regt ziet wijken; Wat helmagt haar belaagt, Zij weet van geen bezwijken; Zoo stondt G', o Heiland! als een' rots, Te midden van het zeegeklots, En 't buld'rend woên der baren, Bij al uw' lasteraren.

Al wat Gij hebt geleerd, Uw' Godsvrucht, deugd en zeden, Werd in het regt verkeerd; Door lasterzucht bestreden. Om onzen opstand tegen God, Werdt Gij gehoond, veracht, bespot, Als zocht Gij, op deez' aarde, Voor U eens Konings waarde.

't Verächtend purper-kleed, De kroon van doorn gevlochten, De rietstok en al 't leed Waarmeê Gij werdt bevochten, Dat wapentuig der helsche magt, Heeft onze schuld op U gebragt; Maar Gij bleeft, in uw' smarten, Toch Koning onzer harten.

Uw' onschuld deed, o Heer! Het hart uws Regters beven; Die, starend' op uw' eer, Geen kracht aan 't regt dorst geven, Daar hij U gaf ter geeseling; En, voor de snoodste lastering, Bij zijn gezag, bleef vreezen, Om 's Keizers vriend te wezen.

Een blind verdoolde schaar, Door 't Sanhedrin gedreven, Verkoos een' Moordenaar, Voor U, o bron van 't leven! Wiens onschuld blonk als 't vlekk'loos licht, Dat zelf pilatus, in 't gerigt, Voor 't oor der lasteraren, Zoo dikwerf bleef verklaren.

Hier zag 't Geloof den Mensch, In U den Man van lijden; Der vad'ren hoop en wensch, De magt der hel bestrijden; 't Zag in U, bij uw' smart en leed, Den Held, die 't slangenhoofd vertreedt; En, in uw bloed en wonden, De vrijspraak onzer zonden.

Tot zulk een' duren prijs Woudt G'onze banden slaken; Ja 't was uw' hemelspijs, Ons zondaars vrij te maken; Men eischt' uw' dood, het kruis ter straf, Tot U pilatus overgaf, Wiens weifling hem deed beven, Ten koste van uw leven.

Zoo werdt G', als 't weêrloos lam, Door wolven aangegrepen, Om 't kruis, dat op U kwam, Al wagg'lend' heen te slepen; De priesterhaat en 't droef geween, Verzelden uwe laatste schreên; Omringd door vloek en tranen, Moest G'ons den heilweg banen.

O lieve Heiland! Gij, Gij woudt die smarten dragen: Uw' onschuld sprak ons vrij, Naar 't Godd'lijk welbehagen; Al wat de laster U verweet, Was onze schuld; en 't geen Gij leedt, Door 't onregt dat U griefde, Toond' ons uw' zondaarsliefde.

Wat dank zijn w'U verpligt, Daar w'onze schuld beseffen; Nu kan geen' helsche schicht, Uw' gunstgenooten treffen. O Koning van ons hart! och geef Dat ieder dankend' voor U leev', En doe Gij onze zielen, Ootmoedig voor U knielen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.