XXIXste lied. De wegleiding van Jezus.
O, Heiland! Borg der zaligheid! Gij werdt als booswicht heengeleid, Om onze schuld gebonden; Ja, dierb're Goël! ied're tred, Naar 't joodsch gerigt, door U gezet, Was boeting onzer zonden.
Gelaten, met het fijnst gevoel, En 't heiligst zondaarslievend doel,
Liet Gij U henen sleuren; En U, als 't zondedragend Lam, Daar onze straf U overkwam, Door wreede wolven scheuren.
Uw' ongekende heerschappij, Bleef, in uw' banden, heilig vrij Voor uw' gevlugte vrinden; Die Gij, op 't woord van uw bevel, Schoon zelfs in kluisters van de hel, Beveiliging deedt vinden.
Zoo toondet Gij, hoe G in uw' smart. De ware vriend bleeft van het hart, Voor die uw' naam belijden; Daar Gij uw' liefde, trouw en magt, Deedt schitt'ren in den zwarten nacht Van uw grootmoedig strijden.
De zachtheid blonk op uw gelaat, Gelijk de blonde dageraad, Bij 't klimmen van den morgen; De helmagt woedd', en Gij waart stil: Het heilig doel van 's Vaders wil, Bleef in uw hart verborgen.
Hier zag 't Geloof U willig gaan, Beladen met onz' euveldaên, En al wat wij misdreven; Als 't Lam, ten offer toebereid, Om aan Gods regt en heiligheid, Het Borgranssoen te geven.
Wat zullen w'U vergelden Heer? Wij knielen dankend' voor U neêr, Daar Gij de helsche snoeren Gewillig droegt, om onze ziel,
Hoe bang het U, o Heiland! viel', Ten hemel op te voeren.
Geleid ons op dit lijdens-pad, Dat Gij, om onze schuld, betradt, Aan uwe liefdebanden; Opdat wij meer, ontboeid aan 't stof, Tot U, met dankbaarheid en lof, Verheffen hart en handen!
Cookies on Poetry Cove