XXXVIIIste lied.
Grafbespiegeling.
O stille rustplaats, somber Graf!
Ik leg eenmaal, mijn leven af,
Gij zult mijn' laatste woning wezen;
Ik staar op u, maar zonder schrik,
Daar 'k, door 't geloof, reeds weet, dat ik
In u zal rusten, zonder vreezen.
O woning! gij kent schijn noch praal,
Al siert u marmer of metaal,
Gij houdt voor elk dezelfde waarde,
Al is een' graszoô slechts uw' kruin;
Het graf, gehouwen in arduin,
Bewaart niets meer, dan 't graf van aarde.
'k Zie u, mijn stoff'lijk deel! dus aan,
Dat g'eens hier in de rust zult gaan,
Van aardsche zorg en smart beveiligd;
Om daar te kiemen als het zaad,
Tot hemelvrucht, die nooit vergaat,
Want jezus heeft uw graf geheiligd
O Heiland! ja, ook eens sliept Gij,
In 't stille graf des doods, om mij
Uit doodsche sluim'ring op te wekken;
En dan, o vreugd'! zoo voorbereid,
Voor d'ongekende zaligheid,
De vrucht van mijn geloof te trekken!