XLIVste lied. Jezus hemelvaart,
Ja! de strijd is afgestreden; Zwijg nu, treurig Golgotha! Jezus heeft op u geleden, Bragt mij naar Bethania. Daar voer Hij van Siöns kruinen, Bij 't geklank der Godsbazuinen, Naar omhoog als 's Menschen Zoon: Onder 't blij Hozanna zingen Van miljoenen Hemellingen, Stapte Hij op 's Vaders troon.
Zingt nu vrolijk, Si-o-nieten! Schoon uw oog uw' Heiland mist; Elke traan, dien gij doet vlieten, Wordt eens vrolijk afgewischt. Hij, de Heer der hemelscharen, Is naar 's Vaders huis gevaren, Daar Hij u ook plaats bereidt, Om met Hem vol vreugd te leven, Al zijn zoenwerk eer te geven, In een' vol-le zaligheid.
'k Zing met onbedwongen klanken, Door 't geloof, een vrolijk lied, Om mijn Goël blij te danken, Al aanschouwt mijn oog hem niet: Ziel! vlugt door 't geloof naar boven, Hoor daar uw Verlosser loven,
Door 't ge-za-ligd Eng'lenkoor; Ja, de blijde lofgezangen, Die Hij eeuwig moet ontvangen, Galmen heel den hemel door.
Was op aard' zijn' eerste woning, Slechts een schaam'le beestenstal; Nu heerscht Hij, als Siöns Koning, Op den troon van 't groot heeläl; Hem is al 't bewind gegeven; Hel noch dood kan Hem weêrstreven; Hij regeert met majesteit; Hemel, aarde, koningrijken, Niets kan ooit zijn' magt ontwijken; Hij regeert in eeuwigheid.
Hij zal 't ware Godsrijk stichten, Schragen door zijn' sterke hand;
Joden, Heidenen verlichten, Wijzen 't hemelsch vaderland lede mag nu vrij verkonden: ‘Jezus, aan het kruis gebonden, Stierf en overwon de hel; Is ten hemel opgevaren, Met veel duizend' Eng'lenscharen, Heerscht daar als Immanuël!’
d'Ark des heils, door Cherubijnen Opgevoerd naar 't vaderland, Wordt niet meer door Philistijnen Weggeroofd noch aangerand. Arons staf zal eeuwig bloeijen, En vol rijpe vruchten groeijen; Trouwe melchisedek! Ja, Al de hemelpriesterscharen,
Blijven op uw offer staren; Danken U, Halleluja!
Nu, triomf! triomf! gezongen, Lieve Heiland! maar ons lied Is te zwak, en Eng'lentongen Hebben wij op aarde niet: Voer ook onze ziel naar boven, Om volmaakter U te loven; Och, ontboei ons van het stof! Leer ons 't regte hemelleven, Om U dankend' eer te geven, En te juichen uwen lof!
Doe uw Rijk, o Heiland! komen; Zet het uit van zee tot zee; Wil het ongeloof betoomen; Voer het zegevierend meê!
Zend alom uw' Rijksgezanten, Om uw' heilbanier te planten, Groote Koning vol genaê! Zijn wij hier nog strijdgenooten, Eens neemt G'al uw lie-ve-loten, Tot U, Heer! Halleluja!
Cookies on Poetry Cove