XLIIste lied. De jongste dag.
O dag der Eeuwigheid! Die zeker eens zal dagen, Met hemel-majesteit, Tot blijdschap en tot klagen; Uw licht zal 't al ontdekken, Wat adams nageslacht, Op aard', heeft voortgebragt, Om vreugd' of smart te wekken.
Voor u, o groote Dag! Zal 't licht der zon verdwijnen, En eerbied, diep ontzag, Aan uwe kimmen schijnen; Gij zet aan d'eeuwen palen; De wisselende tijd, Die alles sloopt en slijt, Ontneemt gij 't zegepralen.
Dan zal geen veinzerij, Vermomd, te voorschijn treden, Noch helsche heerschappij, Verdrukken deugd en zeden; Elks misdrijf en gebreken, Staan dan voor 's Regters oog, Die op den wolken boog, Het heiligst regt zal spreken.
O treurig oogenblik! Voor hen, die God verzaakten, En, bij hunn' jongsten snik, Geen vrede met Hem maakten; Hoe trilt, bij dit aanschouwen, 't Geweten, dat de deugd Vernield', in wereld-vreugd, Gods roepstem bleef mistrouwen.
Ach! wie zal dan bestaan, Voor Hem, die daar zal spreken, Voor wien de beste daân, Op aarde zijn bezweken? Die voor zijn heilig' oogen, Naar 't licht door Hem verspreid, Tot vreugd' en zaligheid, Geen zondaar kan gedoogen?
Zij die, naar jezus leer, Door 't heilgeloof, hier leven, Hem, als den Midd'laar, d'eer van hunn' verlossing geven; Deez' kunnen, zonder vreezen, Voor dat gerigt bestaan, Door Hem, die heeft voldaan, En hier moet Regter wezen.
O Heiland! geef dat wij, In stervend' oogenblikken, Voor uwe heerschappij En toekomst, nimmer schrikken; Geef ons geloof steeds krachten, Tot deugd en heiligheid; Maak ons, in U, bereid, Om blij uw' komst te wachten!
Cookies on Poetry Cove