XLIIste lied. Paasch-zang.
Triomf! mijn jezus leeft! Die 't al verwonnen heeft, Waarvoor mijn' ziel moest vreezen; Zou ik geen' danktoon slaan? De Heer is opgestaan! Mijn Heiland is verrezen!
De vale nacht verdween; De morgenstond verscheen;
Gansch Pa-les-ti-na beefde, Door 't schitt'rend bliksemlicht, Waarvoor de grafwacht zwichtt', En mijn Verlosser leefde!
De zond' en al 't geweld Der helmagt ligt geveld; Mijn graf is nu geheiligd; Al velt de dood mij neêr, d'Opstanding van mijn' Heer, Heeft eeuwig mij beveiligd.
Juich' Isrel, blij te moê, Zoo dra 't van memphis roê En dienst zich zag ontheven; Toen 't pharo en zijn heir Zag, zinkend' in het meir, De jongste snikken geven.
Ik zing veel blijder toon, Nu Gods gekruisten Zoon Heeft dood en graf verslonden; 'k Zie nu, in jezus bloed, De zee voor mijn ge-moed, Ter smoring mijner zonden.
God, in zijn' Zoon voldaan, Heeft Hem weêr op doen staan; Nu zal ik ook ver-rij-zen; En mijn' Verlosser zien; Hem eeuwig hulde biên; Volmaakter eer bewijzen.
Mijn God! wat zalig feest Viert nu mijn blijde geest, Door heil-be-spie-ge-lin-gen! Nu voel ik wat het zij:
O Engel! ga voorbij En doodt geen' eerstelingen!
Mijn Paasch-lam is geslagt, En d'allerbangste nacht Voor u, mijn' ziel! verdreven; 'k Mag nu, met vaster schreên, Naar 't hemelsch Kanaan treên, Om met mijn' Heer te leven.
Zijt G'uit uw graf getreên, 'k Ga naar uw' tempel heen, O Heiland! U te lo-ven! Ontboei mijn ziel van 't stof, Voer haar met dankb'ren lof En blij gejuich naar boven!
Cookies on Poetry Cove