Vierde gezang, Met de Gemeente.
Op de Wijze van Psalm 134.
Op, Christ'nen! - heft nu vrolijk aan,
Want God heeft aan ons wel gedaên: -
Hij schonk zijn Zoon: door Hem zijn Geest
Ons toegezegd, op 't Pinksterfeest!
Gij zondt dien Geest: - Hij daalde ook af,
ô God! die ge ons tot Trooster gaf, -
Die ons bestraalt - verlicht en leid,
En tot den Hemel voorbereid. -
Ach! leer ons 's Geestes onderwijs
Steeds stellen op den hoogsten prijs; -
Geef ons een hart, dat, wel beraad,
Zijn lessen nedrig gade slaat.
Bevrijd ons hart van tegenstand,
Die 's Geestes werking staêg verbant; -
Zijn invloed zij ons deel en lust, -
Waar bij het hart zo veiligt rust.
ô God! ach! schenk in ons gemoed,
Uw's Geestes reine liefde gloed,
Dan wand'len wij, als in het licht,
Van uw verlichtend aangezicht.
ô Vader! - zie op 't menschdom neêr; -
ô Zoon! - hervorm het u ter eer; -
ô Geest! - geef troost en juichensstof; -
Drieeënig God! - U - zij de lof! -