Skip to content
1660

Stichtelijcke rijmen

Dirk Rafaelsz. Camphuysen

Zang: Als op 't voorgaende. Oock aldus: II.

WAre Ootmoet (meest gebaert Door zijns [zel]fs en zijns staets kennis) Is die 'smenschen [tong] bewaert Voor des Naestens hoon en schen[n]is. Die zijn vorigh doen wel weet, Heeft zijn [m]ond niet licht gereedt Tot yemandts schandt of leedt. [2.] 't Christen hert, door Ootmoets geest [S]terck verandert en gedreven, Wetend' hoe 't zelfs is geweest, [W]il oock altijdt gaern vergeven: Koomt tot wrake noch vonnis,

Weckt al wat te decken is, En ziet veel feylen mis. 3. Ootmoet doet de mensch diez' heeft, Boven zich een ander achten. 't Hert daer d'eer-zucht niet in leeft, Voedt geen nijdige gedachten; Gunt een a'er wel 't geen het mist; Doet op s'naestens faem geen list; Waeckt onvre'e nochte twist. 4. Ootmoet, Moeder en oorzaeck Van 'sgemoedts bedaerde zachtheydt, Weert verbolgentheydt en wraeck, Toorn, gekijf, en onbedachtheydt, Die, door Godts Geest onderricht, Kleyn is in zijns zelfs gezicht, Acht alle ong'lijck licht. 5. Ootmoet, zuster van de Liefdt, Doet in vriend'lijckheydt verkeeren: Datze elck dient en gerieft, Is haer lust en staêgh begeeren. Die hem zelven kent te recht, In zijn eygen oogen slecht, Wordt gaern eens yeders knecht. 6. Ootmoet, Voester van Geduldt, Helpt het angstigh murmureren (Als Godt 'sLijdens maet vervult, Krachtigh uyt het herte weeren. Die recht kleyn is van gemoedt, Meynt in alle tegenspoedt, Dat hy 't noch heeft te goedt. 7. Ootmoet, Matigheydts Vriendin, Weert zorghvuldigheydt en truren, Alzm', in 's lijfs behoeft', heeft min

Dan den eysch is der naturen. 't Hert van Ootmoet wel door-ploeght, Dat hem zelfs niet veel toevoeght, Is oock met 't minst vernoeght, [8.]Een Oprecht ootmoedigh hert Staet zijn Godt in all's gelaten: Welkom vreughde; welkom smert, Welkom alle lot en staten. Die zich en den Zender kent, Heeft zijn hert, 't zy wat hy zendt, Tot danckbaerheydt gewendt. [9.]Ootmoet, Kenster van gebreck En van 't eygen onvermogen, Neemt de Ziel den lust en treck Om hier ooyt te sluymer-oogen, Doet de Ziel op schilt-wacht staen, Om ooyt door 's vleeschs schalke pa'en In zondt te zijn verra'en. [10.]Ootmoet, Toonster van armoedt [I]n de Goddelijcke zaken, Maeckt dat zich de mensche spoedt [O]m door Bidden Godt te naken: Bidden, 't welck uyt 't hert ontspringt, En, met sterck Geloof omringt, By Godt met kracht door-dringt. [11.]Ootmoet, Weckster van de wil, Doen in all's gehoorzaem wezen, Laet in Deughde 't hert nooyt stil: [W]ant waer Ootmoet is, is vreezen; Waer vrees is, wordt scherp gelet Niet op een, maer alle Wet Die 's Wets voorstelder zet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Stichtelijcke rijmen · Dirk Rafaelsz. Camphuysen · Poetry Cove