Zang: Waar is nu onz' Vryheyd. 1. O Wereld die ons hert In veel Ydelheyd verwert, En daar na beloont met smert, Die u wel kent, En van u wend Zijns herten wensch, Hoe gelukkig is die mensch! 2. De mensch die u bemint, Zegget my doch wat hy vind? Anders niet als rook en wind,
Al uw' vertoon, Dat nu zoo schoon, En heerlijk schijnt, Morgen wel als rook verdwijnt. 3. Al 't goed dat gy vervaat, En daar met gy ons verraad: Is Rijkdom, Wellust, en Staat Dien gy dit geeft, Ziet daar die heeft Al wat gy gunt, En al wat ghy geven kunt. 4. De Wellust, zoo elk ziet, Kan langduyrig wezen niet, Of zy word van selfs verdriet; Doet daar dan by, Hoe ras dat zy In pijn en smert Menigmaal verandert werd. 5. Die nu is Rijk van goed, Krijgt licht morgen tegenspoed, En vaart schielijk bankeroet. Schipbreuk of brand, Of twist in 't Land, Of ander nood, Hem van Rijkdom licht ontbloot. 6. En die nu leeft in Eer, Zoo 't geval eens neemt een keer, 't Stoot hem lichtelijk ter neer: Heden een Graaf,
Morgen een Slaaf, Nu in de Wet, Morgen is men afgezet, 7. Maar of 't gebeurde al, Dat het wankelbaar geval, U dit schijngoed niet ontstal, Naar weynig tijd, Komt God en snijd Uw' leven af, En men leyt u naakt in 't graf. 8. Die dan door schijn verra'an, Na Gods Rijk niet heeft gestaan, En moet als het Vee vergaan, Komt die niet wel, In groot gequel? En heeft zijn zin Niet gevolgt een dwaze min? 9. Na dien de Wereld dan, My niet anders geven kan, Ziet ik trek mijn zin daar van: Waar toe gewroet Om nietig goed, En hem gepijnt Om een schaduw' die verdwijnt? 10. Waar toe zijn zinlijkheyd Op een vluchtig Goed geleyt, En slechts pijn en smert bereyd? Want die een ding Heel zonderling
In 't hert verkiest, Treurt wanneer hy dat verliest. 11. Waar toe zoo zeer bemint, Dat den mensche heel verblind, En aan d'Aarde zoo verbind, Dat hy op God En zijn Gebod Geen acht en slaat, En in 't eynd verloren gaet? 12. Gy Goddelijk Geslacht, Die dit nietig Goed veracht, En na veer een beter tracht, Telt my met u; Ik heb een gru Van d'Ydelheyd, Die het aardsche volk verleyd. 13. Gy, tracht alleen na Deugd, Die u meer dan d'aardsche vreugd, Meer dan geld en staat verheugt: Want uw' gezicht Dat is verlicht; Dies acht gy recht, 't Aardsche goed voor u te slecht. 14. De Deugd, een Godd'lijk goed Die Gods gunst verwerven doet, Die is waardig uw' gemoed; Die u 't geval, Niet rooven zal, Waarvan de Dood
Die 't al neemt, u niet ontbloot. 15. De Deugd die is zoo schoon, Dat zy is van zelfs haar loon, En na geeft zy's Hemels kroon: Die haar bemint, Die mensch bevind, Dat zy alleen Stellen kan ons hert te vree'n. 16. Aangaande kost en kleer', Die verleent of God de Heer Door een redelijk geneer; Die trouw en mild, Het zorg'loos wild, Ook zelver voed, Dat geen voorraad op en doet. 17. Of zoo gy armoe' lijd, En veel zwarigheyd en strijd, En dat Deugd is al uw vlijt, Die is u zoet; Want uw' gemoed Dat is gewis Dat God uw belooner is. 18. En valt u beter toe, Dat ontfangt gy ook in 't goe, Maar maak u daarom niet moe: En als het vlied, Gy acht het niet, Om dat de min Daar niet aan en hecht u zin.
19. 't Geen dat ghy hebt te veel, Houd gy niet voor u geheel, Maar de naaste krijgt zijn deel: Ook is 't genot Door Gods gebod, Gerecht na maat, Niet na weeld' en overdaad. 20. Hoe dan 't geval hem keert, En het aardsche Volk verveert, Gy blijft altijt onverzeert: Hier hebt gy 't wel, Want geen gequel Uw' rust berooft, En u is Gods Rijk belooft.
Cookies on Poetry Cove