Zang: Forgs Gaillarde. Pag.25. Of: Heere groot en machtig Koningh. III. [A]Ls een herder zijne schapen in een groen landouwe weydt, [En], om haer den dorst te laven, na de versche beken leydt: [Soo] is oock de Heer mijn Hoeder, En om dat de Heer my hoedt, [Sal] voor 't lijf noch spijs ontbreken noch verquickingh voor 't gemoedt. [Doe] ick, als een dolend schaepken, af-gegaen van 't rechte padt, [On]gewisse gangen dede en verkeerde wegen tradt: [Bra]cht hy als een trouwe Herder, bracht hy mijne voeten we'er
Op des levens rechte straten, om zijns Naems hoogh-waerde eer. 2. Of ick schoon (gelijck een kudde die in doodts perijckel staet, En somwijlen langhs der heyde tot een prooy der Wolven gaet) Wand'len moest op zulcke wegen daer men eyndt noch uyt-koomst ziet, En geen mensch in 't nare doncker zich tot leydts-man aen en biedt: Iae in zulcke nooden raeckte daer de doodt voor oogen stondt, En de Ziel by geene menschen hoop' van troost noch hulpe vondt: Noch en zoud' ick niet vertsagen, nu ghy helpt, en by my zijt Als een Herder die zijn schapen trouw'lijck met zijn staf bevrijdt. 3. Ghy bereydt my voor de oogen van mijn vyandt een bancket: Daer zoo wordt my overvloedigh alle spijze voorgezet: Daer zoo druypt mijn hooft van oly, en mijn beker vloeyt van wijn: Dit vervult mijn geest met vreugde en mijns vyandts hert met pijn. All' de dagen die ick leve (en daer op vertrouw' ick my) Blijft my Godes rijcke gunste en zijn milde goedtheydt by. All' de dagen die ik leve (des ben ick in't hert gewis) Zal ick blijven in de Wooningh daer de Heer mijn Godt in is.
Cookies on Poetry Cove