Skip to content
1660

Stichtelijcke rijmen

Dirk Rafaelsz. Camphuysen

Zang: Op de wijse van den LXVI. Psalm. De tien Geboden. Of Neri, ô schoonst van uw Gebuuren. I. 1. STaat op mijn Bruyd, mijn schoone Vrouwe, Legt af uw' zwart en treurig kleed. Versmachtet niet in uwe rouwe, Daar in gy steeds uw' tijdt besteed. II. Ziet hoe den Winter is verstreken, En laat de zoete Zomertijd, Haar deughdig groene hoofd voortsteken, Welk aller Dieren hert verblijd. III. 2. Gelijk het groene kruyd verstorven Door Hagel, Sneeuw, en lange Vorst, Niet altijds blijft in d'Aard verdorven, Maar schoon, vol krachten, daar uyt borst. IIII. Zoo zult ghy ook niet altijds zwerven In Lijden, Kruys, of Tyranny, Gy zult uw' Bruydegom verwerven Tot troost aan uwe rechter zy. V. 3. Hebt goeden moed, vreest geen Tyrannen Hoe machtigh dat zy zijn of sterk; Ik zalze doch als kaff uytwannen, En doen vergaan met al haar werk.

VI. Tot u zal ik met vreugd intreden Zoo gy lankmoedelijk verwacht, En tot mijn dienst bereyd uw' leden, My lievende uyt aller kracht. VII. 4. Mijn Hoven staan voor u ontsloten, Mijn Kelder is u opgedaan, Treed in, zoo werd gy overgoten Met heylzaam vreugd. Treed moedig aan. VIII. Vreest niet uw' Bruyd'gom te belijden, Al woont gy by een boos geslacht, Wilt vry voor my ter dood toe strijden, Zoo toont gy eerst dat gy my acht. IX. 5. Dan wil ik u zoo hoog weer eeren, Dat ik u in mijns Vaders tent Zal voeren, en van u daar weeren Vrees, droefheyd, pijn, en zwaar ellend. X. Mijn schaduwe zal u bedekken, Mijn rechterhand zal u omvaan, Mijn liefd' zal tot u zoo wijd strekken Dat gy zult nimmermeer vergaan.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.