Skip to content
1660

Stichtelijcke rijmen

Dirk Rafaelsz. Camphuysen

Zang: Te Mey als alle vog'len zingen; Ofte: Een yder die zijn Godt wel vreezen. WAer toe, mijn Ziel, waer toe gesteent? Waer toe gehert-pijnt en geweent? Laet Waerheydt eens recht keuren: Die oorzaeck heeft van vreughd, betoont ondanckbaerheyt door treuren. 2. Mijn Man, mijn waarde Helft, is heen, En ick Alleen. Alleen? ach neen! Godt en een goedt Geweten Doen alle druck en eenzaemheydt door haer by-zijn vergeten. 3. Mijn Lief is heen. maer 't meest-geliefdt, Waer door mijn Ziele was gerieft, Heeft hy my na-gelaten: Zijn leer en Voor-beeldt op het padt van 's Levens rechte straten. 4. Zijn lout're Deugdt streckt my een spoor Om met hem deur de zelve Door

Kloeck-moedig in te dringen, En 't Goddelijcke eer-gezangh in Godes Stadt te zingen. [5.] Om met hem voor 's Lams throon te staen Met witte kleed'ren aen-gedaen, Verheerlijckt onverderflijck, Verlost van pijn, vervult met vreugdt, en (als Godt zelfs) onsterflijck. [6.] Het tijdelijcke slindt de Tijdt; Het quijttelijcke ben ick quijt: Zijn Lichaem, 't welck, van Aerde, Ter Aerden moest, is in der Aerdt; de Geest, by Godt in waerde. [7.] By Godt: die hem ter zaligheydt Bewaert, en heeft een Lijf bereydt Dat, (als 't Bazuyn gaet klincken) In aller eeuwen eeuwigheydt gelijck de Zon zal blincken. [8.] O! Goddelijck Alwijs bestier! Zou' hy Daer heen, hy moest van Hier; Zou' hy zijn Eygen erven En zien 't gewenschte Vader-landt, het Vreemde moest hy derven. [9.] Nu heeft op hem de nijdt geen kracht; Nu is hy uyt Tyrannen macht; Nu is hy wegh getogen. (Daer niemandt hem verzeeren kan) uyt aller oogen oogen. 10. Nu krenckt hem geen boosheydt, hoe boos; Nu is 't geweldt geweldeloos; Nu moet den Haet zijn stralen, Hoe sterck geschoten, krachteloos in 's haters hert zien dalen. 11. Zijn kamp heeft hy kloeck uyt-gekampt:

Gegordt, gewapent, wijs-gelampt, Op schilt-wacht, los van zonden, In wel-doen, vol van alle deugdt, heeft hem zijn Godt gevonden. 12. Wat waer mijn voorder treuren dan? Liefd' tot my zelfs, niet tot mijn Man. 't Schijnt schier gelucks benijden, In zulker Helden zal'gen doodt niet ernstigh te verblijden. 13. Maer weenen dan de oogen mijn, Zoo moeten 't vreughde-tranen zijn: Of zal 't uyt droefheydt spruyten; Door mededoogen met de Wer'lt, moet ick dan tranen uyten. 14. De Werelt, die door zulcken Licht In 't blindt verstandt kon zijn gericht, Om, van't gevaerlijck dolen Terug getogen, zich met ernst te geven in Godts Schole: 15. Te geven op des Levens baen, Om 't eeuwige vergaen t'ontgaen; Ach! voor een Christen herte Is 's Menschen zonde 't waerdig stof en eenigh stof van smerte. 16. Laes! hy is wegh. de snoode Aerdt En was die Zon niet langer waerdt. O! droeve duysternissen, Hoe zeer verdicht uw donckerheydt nu ghy zulck Licht zult missen. 17. Mijn Godt die licht en duyster schept, Gegeven en genomen hebt, Vergadert en gescheyden: Gelooft, gelooft zy uwe naem in aller eeuwigheyden.

18. Gun dat de troostingh van uw Woordt Meer dan natuurs treck zy gehoort; En, als druck 't hert koomt klemmen, Altijdt de ware redens-kracht in my magh bovenzwemmen. 19. Laet my uw's Geestes hulpe by, Die my in druck een bolwerck zy. Geen murmurerig klagen, Maer willelooze lijdtzaemheyt kan u alleen behagen. 20. Geef dat ick my u over-geef, En gants na uwen wille leef, Om waerlijck te genieten Daer nu de krachten van mijn ziel haer stralen henen schieten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.