Op de Maate van den Lofzang van Maria.
I.
Myn hart heeft weder stof
Te juichen uwen lof,
O Schepper aller dingen!
Nu Gy my hebt gevoedt,
En met uw gunst ontmoet,
Zal ik U vrolyk zingen.
II.
Ik zeg U hart'lyk dank,
Voor al de spys en drank,
Van uwe hand ontfangen,
Waar door ons sterf'lyk deel
Gesterkt wordt, om geheel,
Te zoeken zielsbelangen.
III.
Hoe ongelukkig zweeft
De sterv'ling die slechts leeft
Het dierelyke leeven:
Vervreemt van 't geest'lyk goed,
't Geen Gy in Christus bloed,
Den Vroomen hebt gegeeven.
IV.
Leer my van dag tot dag
Myn broosheid, met beklag,
Belyden en regt kennen;
Leer my dus naar uw Woord,
't Geen myne ziel bekoort,
Myn rigtsnoer, my gewennen.
V.
Ach! voed my meer en meer
Met zielenspys, ô Heer,
Door Jesus ons verkreegen;
Bestier my door uw' Geest,
Voor dood noch hel bevreest,
Op alle myne wegen.