II.
Ik was gekwelt door strikken van den dood,
Veel hellenangst hadt myne ziel beneepen;
Benauwtheid dreigde my in 't graf te sleepen;
Ik kwam eylaas, in jammer en in nood.
3. De banden des doods hadden my omvangen; ende de angsten der helle hadden my getroffen: ik vonde benaauwtheid en droeffenisse.