IX.
Zie den Hemel, zon of maan,
Of de flonkerende sterren,
Die nooit in haar orde werren,
Met haar glans en luister staan;
Denk dan eens hoe schoon 't daar boven,
In den Hemel zelfs, moet zyn,
Daar men Godt volmaakt zal looven,
Buiten aardsche zorg en pyn.