Skip to content
1715

Lusthof van Christelyke dank- en beedezangen

Daniël Willink

Toon: Psalm 23. I.

't BOetvaardig hart, met treurigheid omvangen, Vind nimmer vreugd in waereldsche belangen. Het aardsche zoet kan nooit de ziel vernoegen, De Blydschap van de Waereld baart maar wroegen, Wyl al de vreugd der aard is onbestendig En buiten Godt verderflyk en elendig.

II.

In Godt alleen, myn Opperst welbehagen, Het hoogste Goed, die voor ons zorg wil draagen, Vind ik myn lust, myn blydschap en myn leeven: Die zynen Zoon vrywillig heeft gegeeven Tot een rantsoen voor al myn snoode sonden Waar door ik was als in den dood bevonden.

III.

Gy hebt my, Heer, het leeven weêr geschonken, Die door het kwaad scheen als in 't graf gezonken, En my verlost van helsche doodsgevaaren Het snood verderf en 't eeuwig zielsbezwaaren, Ja tot uw kind, in Christus, aangenoomen, Waarom myn ziel verlangt by U te koomen.

IV.

Wat vindt myn hart een weêrgaloos genoegen, Door U bevrydt van 't bitter zondig wroegen; Nu 't recht heeft, door ootmoedige gebeeden, In Christus, voor uw Hemeltroon te treeden! Leer ons dit goed en 't geen G' ons noch zult schenken Wel, in 't Geloof, naar waarde te gedenken.

V.

Zo zal myn vreugd en waare blydschap groeyen In U, myn Godt, en ik my ernstig spoeyen Tot dankbaarheid, voor 't goed van U verkreegen, Ja trachten om voortaan op zuivre wegen Te wandlen, als een trouwe knegt des Heeren. Dus zal myn heyl, uw Eer, myn rust varmeeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Lusthof van Christelyke dank- en beedezangen · Daniël Willink · Poetry Cove