Op de Maate van den 25sten Psalm.
I.
HEer, die, door de dierb're wonden
Van myn' Heiland, my bevrydt,
Voor den vloek der snoode zonden,
Duivel, Hel en dood ten spyt;
En door uwen goeden Geest,
In my werkt een waar Geloove,
Om t' omhelzen onbevreest
Hem door wien 'k my heil beloove:
II.
Wil my by 't Geloof ook geeven
Een ontwyffelbaare Hoop,
Op het eeuwig zalig leeven,
Na myn' tydelyken loop.
Dat die Hoope zeeker zy,
Stemmend' op een vast vertrouwen,
Dat ik eens volmaakt en bly
U hier namaals zal aanschouwen.
III.
Ja dat ik al myne dagen
Daar den voorsmaak van geniet,
En dien troost mag by my dragen,
In al 't ondermaansch verdriet.
Dat die hoop steeds in myn hart
Leevend zy door goede werken,
Dat ik in all' aardsche smart
Lydzaam mag op 't einde merken.
IV.
Hoed my voor des Satans netten,
Voor de driften van het vlees;
Laat de waereld nooit verzetten,
Myn verwachting, door haar vrees,
Dat ik zeeker, naar uw woord,
Mag op uwe volheid hoopen,
En, op uwe Wet bekoort,
Rustig langs het Heilspoor loopen.